Echt heel raar

Double_Otropo.141607
Ik word oud. Of eigenlijk: mijn kinderen worden oud en ik steek daar een soort van nóg ouder bij af. Vanmiddag ging ik met Anne winkelen en meteen ook een kaartje kopen voor de buurvrouw. Bij de kaartenwinkel zien we een heel leuk kaartje, waarvan ik denk: dat is leuk voor Anne om naar d’r vriendin te sturen. Dus ik zeg: ‘Kijk eens wat een grappige kaart! Die is leuk, moet je naar Floor sturen!’ Anne kijkt, lacht en knikt. Ik ga verder met een kaart voor de buurvrouw uitzoeken en als ik er eentje heb gevonden, zie ik dat Anne de kaart die ik zo leuk vond, niet heeft gepakt. ‘Wil je die niet naar Floor sturen?’ ‘Jawel, maar ik heb m’n telefoon niet bij me.’

Het duurt net even te lang voor ik begrijp dat ze er een foto van wil maken en die wil appen. ‘Néé, ik bedoel gewoon kópen en opsturen, je weet wel, met een postzegel.’ Verdwaasd kijkt ze me aan, maar ze herstelt zich: ‘Ja, dat kan natuurlijk ook.’ Ze zoekt er een leuke sleutelhanger bij uit om mee te sturen en we rekenen af.

’s Avonds gaan we, in het kader van de kerstvakantie, naar de bios en uit eten. En omdat we de TGIF (Thank God It’s Friday)-achtige diners uit Amerika een beetje missen, hebben we bedacht dat het wel leuk is om naar het Breakaway Café te gaan. Want: vlakbij de bioscoop, lekkere burgers en voor pa en ma nostalgie. Toen we net verkering hadden, gingen we daar weleens poolen en heb ik Bas verleid met mijn decolleté. Maar dat hoeven de kinderen natuurlijk niet te weten.

Destijds kwam je altijd aan de Weena kant naar binnen, waar de bar zit. Door diezelfde ingang komen we nu ook naar binnen en dat voelt toch wat ongepast, met twee kinderen van tien en twaalf… Je ziet al die vroeg-twintigers enigszins verstoord opkijken van hun happy hour mojito: wat doen die ouwelui hier met hun kinderen? Een vriendelijke serveerster helpt ons door de meute heen naar de achterkant van het etablissement, waar de eettafeltjes staan, terwijl ik Daan achter me aan trek, die zich luidkeels afvraagt waarom we tussen de dronken mensen gaan eten. Bij ons tafeltje aangekomen, blijkt er daar ook een ingang te zijn, aan de kant van het overdekte winkelplaza. Note to self: als we hier nog eens komen, beter deze dus…

Als we zitten, vertel ik aan Bas over de kaart en dat Anne er een foto van wilde opsturen. Anne kijkt me geïrriteerd aan (ik zou natuurlijk ook beter moeten weten dan zo’n awkward moment ook nog eens aan haar vader door te vertellen) en zegt: ‘Ja, dat is écht heel ongebruikelijk hoor, om een kaart te kopen en met de post op te sturen. Dat doet niemand.’ ‘Nou, vroeger wel hoor en ik doe dat nog steeds.’ ‘Ja, dat jij nou onder een steen vandaan komt.’ Oef. Ze zegt het net iets zachter dan de zin ervoor en kijkt me aan in afwachting van een betoog over de toon die je tegen je moeder hoort aan te slaan. Ik besluit het te laten gaan, als goedmaker voor het überhaupt erover beginnen.

Dan de menukaart. Anne is sinds twee jaar vegetariër en voor haar staat er niet veel op de kaart, behalve een vegaburger. Die zijn niet overal even lekker, dus meestal zoekt ze een alternatief. Laten we tussendoor even een korte poll houden. Als het volgende op de menukaart staat: Ceasar on a Bun – grilled, Ceasar styled bun, with fried egg, fresh lettuce, bacon, Parmesan cheese and the classis Ceasar dressing, wie denkt er dan dat er een kipfilet op dat broodje zit? Wij in ieder geval niet, dus Anne bestelt bij de serveerster dit broodje, ‘maar graag zonder bacon, want ik ben vegetariër.’

Komt er even later een andere serveerster met onze maaltijden, die zegt: ‘Voor wie was de kipburger?’ ‘Eh, voor niemand.’ ‘Ik heb hier op jullie bon een Ceasar on a Bun staan.’ ‘Ja, maar daar zit toch geen kip op?’ ‘Jawel.’ ‘Nou, die is dan voor haar, maar mag de kip er dan vanaf? Zij is vegetariër.’ ‘Ja hoor, dat is goed.’ Ze loopt weg, mikt in de keuken de kipfilet in de vuilnisbak (althans, dat vermoed ik) en komt met hetzelfde broodje weer terug. Intussen heb ik de menukaart erbij gepakt en zeg: ‘Kijk, hier staat niet bij dat er kip op zit hoor.’ ‘Ja, er staat Ceasar styled bun. Op onze Ceasar salade zit ook kip, dus ik denk dat iedereen dan snapt dat er op de burger ook kip zit.’ Ze schampert: ‘Er is echt niemand die denkt dat er dan alleen bacon op zit.’ Dus ik kaats terug: ‘En gebakken ei. Ik vind dat echt niet zo gek hoor.’ En zij: ‘Nou, ik vind dat echt heel erg raar, maar goed, het is zo opgelost.’

Verbouwereerd blijven we achter. En Anne zegt: ‘Dat mag je als serveerster toch helemaal zo niet zeggen, tegen je klanten, dat je ze raar vindt?’ Damn straight dat dat niet mag. Ben ik gelukkig toch niet zo oud, dat ik dat als enige vind.

 

 

Advertenties

Als het einde komt

Single-Candle-Wallpaper-520x325

Als het einde komt
En als ik dan bang ben,
mag ik dan bij jou?

Claudia de Breij zingt door de speakers en de tranen stromen over mijn wangen. Aad is dood. Die lieve Aad, het oudste lid van ‘onze’ judoclub. Er is niks van mij bij hoor, die judoclub, maar des te meer van Bas en daardoor ben ik er ook onlosmakelijk mee verbonden. Aad was de jongste oude man die ik ken. Die pretogen, waardoor je altijd het idee kreeg dat hij je in de maling nam. En ook of hij een beetje met je aan het flirten was. Je zou willen zeggen: op z’n oude dag, maar Aad is altijd ergens rond de 65 blijven steken, voor m’n gevoel. Tot zijn 79e heeft hij actief aan judo en aikido gedaan en daarnaast stond hij altijd als vrijwilliger paraat bij toernooien en om te helpen met klussen in de dojo. Boordevol energie, niet te stoppen. Een half jaar geleden heeft hij kort achter elkaar twee hersenbloedingen gekregen en na een moeilijke strijd is hij nu dan toch overleden. Zijn uitvaart was vorige week vanuit de dojo, zoals hij zelf graag wilde.

Wat is dat toch met een uitvaart, dat je vrijwel altijd, naast het verdriet om de overledene, ook over je eigen sterfelijkheid na gaat denken en vooral over die van de mensen waar je van houdt? Als voorzitter van de club heeft Bas ook gesproken tijdens de plechtigheid en mijn god, wat was ik trots op hem… Mijn rots, waar ik altijd bij mag, om te schuilen en te huilen. Het verdriet van Aad z’n dochters en zijn vrouw was bijna tastbaar. Knap, hoe zij hun vader toespraken, met een lach en een traan, ik weet zeker dat hij heel erg trots op hen was geweest. En ook bijzonder om te merken wat een fijne band die dames hadden met hun vader.

Het laatste nummer tijdens de plechtigheid was The show must go on. En dat ging het, want een week later stond er alweer een groot toernooi gepland bij de club. We hebben Aad gemist, achter de wedstrijdtafel. Ook aan het thuisfront gaat the show on, want Anne is jarig. En wie bij ons jarig is, krijgt ontbijt op bed en daar wordt voor gezongen. Met geroosterd brood met duo penotti, een beker optimel en drie brandende waxinelichtjes om uit te blazen (waarom het er altijd drie moeten zijn, weet ik eigenlijk ook niet), lopen Bas, Daan en ik ‘lang zal ze leven’ zingend haar slaapkamer binnen. Bas doet er een gek dansje bij en Anne krijgt de slappe lach. Er schiet een ander liedje in m’n hoofd, Kees, van Acda en De Munnik, over een gezin waarvan de vader overleden is. De zanger is de buurman van het gezin en het is een jaar geleden dat de buurman is overleden. De zanger mist zijn vriend, ziet dat zijn rozen niet voldoende besproeid worden en realiseert zich dat het leven gewoon doorgaat. De laatste zinnen van dat lied gaan altijd door merg en been bij mij:

En verder hoorde ik zo-even
Hiernaast het lied ‘Lang zal ze leven’
Geweldig, naar ik vrees, Kees…

Gelukkig wordt mijn door een dikke keel valse gezang overstemd door Bas en Daan en het gegiechel van Anne. En ik voel me dankbaar.

 

Als het maar droog is

the-rain-and-the-sun“Mam! We hebben lekkage! Er loopt water uit de lamp in de bijkeuken!” Het is op een donderdag in de zomervakantie, tien uur ’s ochtends en ik zit op m’n werk. Anne belt op m’n mobiel en klinkt behoorlijk in paniek. En hoewel water uit de lamp inderdaad aanleiding mag zijn tot een lichte vorm van paniek, begrijp ik het niet zo goed, want Bas is thuis met de kinderen. “Oh jeetje zeg, dat klinkt niet best. Maarreh, pappa is toch thuis?” “Ja, natuurlijk, maar het lekt écht heel hard hoor, het loopt over de drempel zó de hal in! Wacht, ik stuur even een filmpje!” Hangt op. Natuurlijk, puber in wording, dan wil je als ouder paniek in de stem nog wel eens verwarren met pure sensatiezucht.

Naast dat het donderdag is, is het ook twee dagen voordat we op vakantie gaan. Al-tijd fijn, zo’n akkefietje, als je ook bezig bent met inpakken, laatste boodschappen, schoonmaken, alternatief onderdak voor de huisdieren regelen en orchideeën naar gezellig kletsende buurvrouwen brengen. Waardoor we op de dag voor vertrek nog de loodgieter over de vloer krijgen (of liever gezegd: over het dak) en de schade-expert van de verzekering. Gelukkig had Bas de dag ervoor alles, zo goed als en zo kwaad als het ging, droog gekregen, alles van waarde op een hoger niveau gezet en alles met de elektriciteit geregeld (gedoe met aardlekschakelaars en onbruikbare groepen… huuh…), dus daar heb ik geen werk meer aan. De buurvrouw belooft om bij harde regen te gaan kijken of het nog steeds lekt, ik geef haar het nummer van de loodgieter, just in case, en dan gaan we toch maar op vakantie. Naar Engeland, dit jaar.

Ook in Engeland blijft het de twee weken dat we daar zijn, niet alle dragen droog. Dat weet je van tevoren natuurlijk, als je naar Engeland gaat, maar we gingen naar het ‘tropische deel’ van Engeland, Cornwall en South Devon. Van verschillende kanten was mij al verzekerd dat het daar ‘echt veel minder’ regent dan in de rest van Engeland. Nou weet ik niet wat voor noodweer ze dan in de rest van Engeland hebben gehad, maar ook op onze in de tropen gelegen camping krijgen we de nodige watergordijnen en windhozen over ons heen.

De eerste dagen gaat het nog goed en op de dag dat het mooiste weer voorspeld wordt, gaan we naar een zwembadencomplex aan de kust, met allemaal verschillende glijbanen. De zon schijnt, het is warm, een fantastische dag. In de middag ziet de lucht er af en toe dreigend uit, maar steeds wijken de wolken af en we houden het droog. Geen moment komt het in me op dat het 30 kilometer verderop misschien wel heel hard zou kunnen regenen, totdat we ’s avonds thuiskomen en blijkt dat we twee zijflappen van de tent open hebben laten staan… Een hele tas met kleren is doorweekt, de elektrische kachel durven we voorlopig even niet aan te zetten door de hoeveelheid water die eruit komt lopen en wéér kunnen we dweilen…

Na een paar dagen regen vraagt de Britse buurman van een paar tenten verderop (leuke bos blonde krullen, precies goed stoppelbaardje, vrolijke ogen… lijkt eigenlijk helemaal niet Brits, meer Zuid-Europees… maar ik dwaal af): “So are you enjoying our real British summer? I’m telling you, we’ve had the best summer in years, right up until the day we arrived here!’ Hebben wij dat. Gelukkig zitten er ook nog prima droge dagen tussen, waarbij het weliswaar jasje-aan-jasje-uit blijft, maar we kunnen heel mooi de omgeving verkennen en van het prachtige landschap genieten.

Wel valt het ons op dat die ene Britse buurman de enige campinggenoot is, die een beetje gezellig doet. Er zijn geen andere Nederlanders op de camping (of überhaupt andere Europeanen), alleen maar Britten. En man, wat zijn die afstandelijk zeg! Er kan nog geen gedagje vanaf als ze voorbij lopen, de kinderen spelen alleen maar met elkaar, niemand maakt een praatje bij het afwasgebouw… Ik hoef heus niet elke avond bij iemand anders te zitten, maar zo af en toe even ervaringen uitwisselingen of gewoon ‘waar kom je vandaan’, dat is toch een gedeelte van de charme van kamperen. Ook het personeel in pubs en winkels vinden we niet bijzonder (klant)vriendelijk. Nu zijn wij natuurlijk die over the top joviale Amerikanen gewend, maar ik had eigenlijk van die Britten wel een soort John Cleese-achtige zelfspothumor verwacht. Het blijkt dat hij niet voor niets de draak steekt met de inborst van zijn landgenoten.

Toch komen we uiteindelijk nog een Brit met humor tegen. In een souvernirwinkeltje werkt een jongen van begin twintig, die geïnteresseerd vraagt waar we vandaan komen en hoe we het hier vinden. Om hem niet voor het hoofd te stoten, klets ik er een beetje omheen en zeg dat de camping mooi is en de omgeving prachtig. Maar omdat Anne een hoodie wil laten bedrukken en het uitzoeken van de letters een eeuwigheid duurt, blijft hij maar doorvragen over of we het naar ons zin hebben. Ja eh, als je het dan écht wil weten, dus ik zeg: “Well, I do have to say, we’ve been to a lot of countries in and outside of Europe, but the people here are… how do I say this… they kind of keep to themselves, don’t they?” De jongen knikt vrolijk en vol herkenning en zegt: “I know! I’ve just been on holiday with my girlfriend to Mallorca and people are so different on the mainland. They are much more open and welcoming!” Hè gelukkig, ik heb hem niet beledigd. Dus ik voeg er nog aan toe: “It’s funny with the guests at the campground, it’s like they really don’t want to talk to you.”

Hij lacht en zegt: “Yes, we tend to get a bit moody. I think it’s the weather.”

Als we na nog twee dagen regen bij de eerste zonnestralen weer uit onze tenten tevoorschijn komen, zegt de vriendelijke camping-Brit: “Right, that’s it, we’re going home. Too much rain for us!” En ik denk: meen je dat nou? Houden we het gewoon langer uit in de regen dan de locals? Ik denk toch dat hij tweede generatie Griek was.

Vliegveldstress

schiphol-druk_0

“En waar is meneer B.?” De Schipholbeambte kijkt me over de rand van zijn leesbril onderzoekend aan. “Pardon?” “Meneer B. De vader van de kinderen? Waar is die?”

Het is vakantie. We gaan naar Amerika en Bas is twee dagen eerder al vertrokken, zodat hij alvast wat werkdagen under z’n belt kan krijgen, voordat wij aankomen. Hij had wel onze tickets geregeld, een tijdje terug en om kosten te besparen hadden we mijn ticket met airmiles betaald. Daarna waren de miles zo goed als op en voor de kinderen hebben we dus een gewoon ticket gekocht. Wat resulteerde in de volgende gang van zaken.

De avond voor vertrek. Ik besluit ons online in te checken. Volg keurig de door KLM gemailde link, check mezelf in en probeer de kinderen in te checken. Error: unaccompanied minors may not be checked in online. Please visit one of our service desks. Huh? Bel Bas. “Nou, dat is ook gek.” Probeert het ook online. Krijgt dezelfde foutmelding. “Tsja, dan moet je het toch morgen maar even bij de balie daar doen.”

De dag van vertrek. Ik kom (op de vrijdag voor de meivakantie, zonder dat we het wisten een van de drukste dagen van het jaar op Schiphol, het was zelfs op het nieuws…) aan bij de vertrekhal en probeer met de paspoorten bij zo’n terminal in te checken. Zelfde foutmelding… Ik trek een mevrouw in het blauw aan haar jasje om ons te helpen. Zij probeert het nog een keer met de paspoorten. Weer dezelfde foutmelding. Ze stuurt ons naar de incheckbalie voor mensen met honden en katten, buitensporig grote bagage en andere vreemdsoortige omstandigheden. “Oh, ik zie het al, dat komt omdat uw ticket met airmiles is geboekt en die van de kinderen niet. Nu denken alle systemen dat zij alleen reizen. Ik zal u alle drie inchecken.” “Fijn, bedankt. Zitten we dan wel naast elkaar?” “Nou, het is goed dat u het vraagt… Eens kijken, u zit op rij 43 en de kinderen…. Op rij 22. Dus nee, dat is niet naast elkaar.” Twee verschrikte gezichten kijken me aan. “Maarreh… daar is vast nog wel iets aan te doen, toch?” “Tsja, dat zult u dan even bij het boarden moeten vragen.”

Na ruim anderhalf uur wachten bij de bagagecontrole (met achter ons in de rij een peuter met een loopfiets. Met een bel. Die het echt héél goed doet.) komen we bij de bewuste Schipholbeambte aan. “Nou, mijn man is woensdag al vertrokken voor werk, en wij volgen hem nu om vakantie te gaan vieren.” Ik schenk hem mijn meest zelfverzekerde ‘kijk-ons-eens-in-vakantiestemming-zijn-glimlach’ en hoewel de bleke toetjes van de kinderen niet echt meehelpen (want: zitten we straks wel naast mamma en niet naast wildvreemde, dikke, snurkende mannen?), kom ik er volgens goed Nederlands gebruik zonder verdere vragen vanaf en mogen we doorlopen.

Volgende stop: het vraaggesprekje over het inpakken van de bagage. “Wie heeft uw koffers ingepakt? Heeft u uw bagage uit het oog verloren? Heeft u cadeautjes meegekregen?” En ik, met m’n stomme kop: “Nou, de kinderen hebben wel een pakketje van oma meegekregen.” Tot mijn afgrijzen zie ik op het hoofd van de goede man zich op verschillende plekken alarmbellen aftekenen. Zowel in zijn ogen, als op zijn voorhoofd, in zijn haargrens en zelfs op allebei zijn neusvleugels. Ik probeer het nog snel goed te maken met: “Ja, gewoon dropjes en M&M’s enzo hoor, en een tijdschrift. Het zit in doorzichtig folie, ik heb precies gezien wat erin zit.” Hij lijkt ook niet bijzonder veel zin in en tijd voor gedoe te hebben en vraagt aan de kinderen: “Klopt dat jongens? Hadden jullie het pakketje van oma al uitgepakt?” Vroeger had ik ze dan een onopvallend schopje tegen hun schenen gegeven, maar nu zijn ze gelukkig oud genoeg om aan te voelen dat je op zo’n vraag gewoon bevestigend moet knikken en blij moet glimlachen.

Bij de gate staat al ‘gate closing’ als we aankomen en dan moet ik het stoelendebacle nog regelen. Een hoop gehannes, een bijzonder vriendelijk echtpaar, een man die hetzelfde stoelnummer toebedeeld heeft gekregen als ik en een racistische oudere dame verder, zitten we geïnstalleerd, kunnen we op weg en denk ik dat het ergste achter de rug is.

Totdat we aan de overkant in Minneapolis door de paspoortcontrole moeten. Nu was daar altijd al een lange wachtrij voor, maar sinds Trump aan het bewind is, zijn ze nog veel minder happig op buitenlanders en kunnen we dus wéér anderhalf uur voetje voor voetje dichterbij de felbegeerde poortjes schuifelen, waarboven de Stars ’n Stripes toeziet op een streng doch rechtvaardig toelatingsbeleid. Anders dan zijn Nederlandse collega, is deze douanebeambte een stuk minder inschikkelijk. “Ma’am, where is your husband?” Ik zweer het, je zal gescheiden zijn. Of weduwe! Maar ik braaf weer m’n verhaal afsteken. “Do you have a document that states that you are allowed to travel with these children alone?” Come again? Ehm, het zijn toch ook míjn kinderen? Maar ik heb geleerd: don’t mess with Amerikaanse douanebeambten, die moet je vooral te vriend houden. Dus: “Oh, I’m so sorry, no I don’t…” Nou, dat het toch vooral een goed idee is om dat in de toekomst even zwart op wit van de vader te krijgen, want you never know, met child trafficking en al dat soort ongein tegenwoordig. En dan heb ik nog niet eens een hoofddoek. Niet respectloos bedoeld hoor, maar ik denk zomaar dat zo’n mevrouw nog meer het vuur aan de schenen gelegd zou worden.

Natuurlijk is het heel erg nodig dat vliegveldpersoneel hier alert op is en getraind wordt om verdachte situaties te signaleren. Achteraf gezien kan je dat allemaal beredeneren en is het echt niet erg om een paar extra vragen te beantwoorden en advies te krijgen hoe je in het vervolg kan voorkomen dat je je moet verantwoorden voor het op vakantie gaan met je eigen kinderen. Maar op het moment zelf, als je ook nog een vervolgvlucht moet halen… Leuk is anders.

We mogen verder en een zwaar vertraagde vlucht naar New York, een in het vliegtuig vergeten smartphone (door wie wil ik hier graag even in het midden laten…) en een vermiste koffer later, kunnen we eindelijk aan onze vakantie beginnen.

Zo moeizaam als de heenweg ging, zo vlotjes gaat de terugreis. Zo vlot zelfs, dat we op het vliegveld van Detroit een sprintje moeten trekken om de aansluitende vlucht naar Amsterdam te halen. En terwijl we daar, bepakt en bezakt, de handbagage op onwillige wieltjes achter ons aantrekkend en schoudertassen hotsend en botsend tegen m’n benen, langs de gates rennen, roept Daan naast me: “Hee mam, het is net of we in Home Alone zitten!” Ik schiet heel hard in de lach en denk bij mezelf: “Jongen, als Sandra Bullock beschikbaar is voor de hoofdrol, ga ik m’n eigen film regisseren.”

Geheime efficiëntie

victorias-secret-gift-card-giveaway-

Toen we net weer terug waren in Nederland, kreeg ik van Bas een Victoria’s Secret cadeaubon voor mijn verjaardag. “Dat is een leuke aanleiding voor jou om een keer met me mee te gaan, naar New York en dan heb ik er ook nog wat aan!” glom hij van zelfingenomenheid.

Een paar weken geleden was het dan zo ver: de kinderen en ik gingen voor het eerst weer terug naar New Jersey! Na een afwezigheid van bijna twee jaar hadden we het eindelijk zo kunnen plooien dat niet alleen ik met Bas mee kon, maar ook de kinderen, zodat we weer even naar ons andere ‘thuis’ konden. En thuis, dat was het ook meteen weer! Ik had verwacht dat we ‘gewoon’ op bezoek zouden gaan, maar het voelde allemaal onverwacht vertrouwd aan. Ook na twee jaar weer in Nederland te zijn geworteld en de relatief korte periode die we er hebben gewoond, blijft dit stukje van de wereld toch heel bijzonder voor ons. Het was mooi om te ervaren.

Op de laatste nipper had ik er thuis nog aan gedacht om die cadeaubon bij me te stoppen. Ik had al zo’n vermoeden dat er voor Bas en mij wel een avond samen in zou zitten en inderdaad, de kinderen waren bij hun beste vriendjes en vriendinnetjes nog even welkom om te blijven eten en slapen als twee jaar geleden. Waardoor wij ons op vrijdagavond kinderloos en met cadeaubon op zak, naar de mall begaven.

Nog geen twee minuten binnen bij Victoria’s Secret, kwam er een onwaarschijnlijk kleine, prachtige Indiase mevrouw op zachte slippers op ons afgeschuifeld. ‘Hi, how are you? Do you know what you’re looking for today? Bras, panties?’ Ik: ‘Ehm, a bra, I think?’ ‘Do you know your size?’ ‘Well, I know my European size, but I don’t think that’s going to help me much…’. Ergens uit haar wonderschone wikkeljurk toverde ze een meetlint tevoorschijn, dat ze tussen twee duimen en wijsvingers ter hoogte van mijn borsten omhoog hield. Met één opgetrokken wenkbrauw en een vragende blik in haar ogen, zorgde ze ervoor dat ik verbouwereerd mijn armen omhoog deed, zodat ze midden in de winkel de omvang van mijn borstkas en de omvang van mijn borsten kon opmeten. Bas deed nog net geen rondedansje.

‘Right, I think you are a 38DD, but if you go to the fitting room, they will make sure you get the right size and you can try on our different styles of bras. What’s your name?’ ‘Ehm, Karin.’ ‘Okay, my name is Meena, if there is anything you need after your fitting, please let me know.’ Ze schreef alle informatie (mijn naam, haar naam, mijn maat) binnen vijf seconden in een onberispelijk handschrift op een speciaal daarvoor bestemd kaartje, gaf het aan me en liep met me mee naar de paskamers. Daar hield de pret voor Bas op, want hij mocht plaatsnemen op een (roze pluchen, dat dan weer wel…) bankje bij de ingang van de paskamers, waar er verder geen glimp van vrouwelijk naakt meer op te vangen viel.

De dame die de scepter zwaaide in de fitting room, was in alle opzichten de tegenpool van de mevrouw die me eerder had geholpen. Denk: Big Momma’s House, maar dan jonger en met een beter gevoel voor humor. Echt, ik denk dat ik drie keer in die mevrouw had gepast. Eerst ging ze me bevragen over wat voor soort beha ik wilde (padding, no padding, push up, strapless, sportsbra?) en daarna ging ze wat modellen voor me halen, om wat te kunnen uitproberen. Ik kreeg een pashokje toegewezen en op de deur werd het kaartje met al mijn gegevens keurig in het daarvoor bestemde houdertje geschoven. In het hokje zat een knop, waarmee ik een lichtje aan de buitenkant van mijn deur kon laten branden, zodat ze wist dat ik hulp nodig had. Toen ik me in de eerste BH had gehesen, drukte ik op de knop. Binnen twee seconden stond ze aan de deur en zei: ‘I’m here, miss Karin’, netjes afwachtend tot ik zelf de deur open zou doen.

‘Oooh, I like it!’, zei ze. Ik vond hem ook wel mooi, maar, zoals bij de meeste vrouwen, zijn ook mijn borsten niet allebei even groot. Ik vond dat de ene teveel werd afgesneden, dus dat zei ik tegen haar. ‘Okay, we can do something about that, but I have to say, I like your breasts! I do, they’re nice and firm and they have a nice shape to them.’ En hoe ze het deed, deed ze het, maar ik schoot niet in de lach en ik vond het ook niet raar. Ik geloofde haar gewoon. Ik was gewoon even oprecht trots op mijn dames. Nou, dan ben je toch wel een topverkoper, als je elke dag vrouwen BH’s staat te verkopen en je kan je complimenten zó oprecht laten klinken. Ik kan er nu nog met bewondering aan terugdenken.

Ik paste nog een paar modellen, die niet allemaal even mooi zaten. Onvermoeibaar en met een ongekende snelheid kwam ze steeds nieuwe aandragen, steeds in de goede maat en dat terwijl ik absoluut niet de enige was die ze aan het helpen was. Uiteindelijk koos ik twee modellen die me bevielen. De volgende stap was de kleur uitkiezen. Ik kleedde me weer aan en ondertussen hoorde ik haar in haar oortje zeggen, waarmee ze blijkbaar in verbinding stond met de winkel: ‘Meena, she’s coming out, I repeat, she’s coming out!’. Je kan er wat van vinden, maar ik voelde me stiekem toch een beetje als Katy Perry die haar cue krijgt om het MTV Music Awards podium te betreden. Ik haalde Bas op uit de ballenbak en daar kwam Meena ons alweer tegemoet. Ze vroeg (weer met die opgetrokken wenkbrauw en dit keer een uitgestoken hand), naar het kaartje, waarop inmiddels ook mijn voorkeur voor de modellen stond geschreven en schuifelde voor ons uit om de keuze aan kleuren te laten zien.

In een laatste poging om Bas ook nog een leuke avond te bezorgen, koos ik twee verschillende kleuren uit en zei dat ik die nog even wilde passen om te zien hoe ze stonden. Dat was natuurlijk niet de bedoeling van deze bijzonder efficiënte shopgebeurtenis, maar hey, de klant is koning, dus met een zakelijke glimlach werden we weer terug naar de fitting room gebracht, waar Bas weer op zijn bankje moest plaatsnemen. Ik paste de twee BH’s, deed net of ik twijfelde, drukte op de knop en vroeg met mijn liefste, onzekere vrouwenstem: ‘I have some doubts, can my husband please come have a look and help me decide?’ Zo, toen had ik het even goed verpest zeg, met m’n Europese fratsen. ‘No, he may not. That is out of the question ma’am.’ Het amicale ‘miss Karin’ was als sneeuw voor de zon verdwenen. Jammer. Toch twee mooie BH’s aan over gehouden. En een gratis boodschappentas en hemdje. Alleen zal Bas waarschijnlijk de volgende keer weer voor een bon van de Bijenkorf gaan.