Airco

2133500ddc99dcf58139ecb21253a122--clip-art-images-free-clip-art-free

“Ik ben maar even hier komen zitten, want ik wor gék van die airco! Dah zou verboden moeten worden, op een camping!” Als we terugkomen van het zwembad om een boterhammetje te eten, zit de overbuurvrouw met haar stoel op de lege kampeerplek naast ons in de schaduw een boek te lezen. En aangezien er op dat moment op onze eigen plek ook geen schaduw is en de mussen niet eens het dak op gaan, zo heet is het, zeggen we: “Dat is een goed idee, dat doen wij ook.” De echtgenoot van de vrouw ligt onder de luifel van hun caravan te slapen. De buurvrouw zelf is begin 50, heeft kort zwart haar en een zwaar Brabants accent.

“Mosten jullie gister nou in dat noodweer jullie tent opzetten?”
“Nou, het viel gelukkig mee hoor, een paar spatjes tussendoor, maar toen het echt hard begon te regenen, stond hij gelukkig nét.”
“Tis anders maar een klein plekske nie? Wadda jullie hebben? Ik dach dah jullie dit er ook nog bij hadden?”
“Ja, dat dachten wij eerst ook. Maar goed, het past wel hoor. En voor de schaduw gaan we zolang gewoon even hier zitten.”

“Nou, wij gaan morregeh weer naar huis. We hadde eigelijk tot zaterdag geboekt, maar ik ben dr klaar meh.”
“Oh?”
“Ja, je kan nerregens heen! Alles is kei ver weg, ge moet steeds in de auto. Wij hebbe fietsen mee, maar das eers een heel stuk snelweg, dah ga nie. Alles is een uur, anderhalf uur weg, met de auto. Meh kindjes is dah anders hee? Die vermaken zich wel, die spelen, dan hoef je de camping niet af. Dah hadden wij vroeger ook met onze kinderen. Maar as ge maar met twee zeit… das toch anders…”

Er valt even een stilte. “Hoor je t nou? Die herrie van die airco?” We zijn weer even stil en ik hoor, als ik héél goed m’n best doe, een zacht gezoem uit de caravan naast die van de overburen komen. “Ja, ik geloof het wel”, zeg ik voorzichtig. “Nou, gék worrik ervan! Ik snap nie hoe hij daar kan slapen”, zegt ze met een beschuldigende hoofdknik naar haar man. “Dah sta de helen dag moar te draaie, woar is dah goe voor? En dan nog es wah, naar St. Tropez zouk nie gaan hoor! Dah boottochtje is keiduur, 13 euro! En dah plaatske zelf stelt niks voor, allemaal keidure winkels voor al die ruikelui met die boten… Zesduuzend euro voor een handtaske, dah geloof je toch nie? En die watervallen van eh… St. Pariche of weettik hoe dah hier allemaal heet… doar kan je nie in zwemmen of niks! Weer langer dan een uur in de auto, wij van alles meegenomen, broodjes en handdoeken en alles, komme we doar, mosten we meh al die spullen een heel end klimmen, en dr woare dr nog meer hoor, meh allemaal spulle, komme we doar an, sta doar een groot hek omheen, kan je dr alleen naar kíjken! Toen zijn we maar weer terug gegoan…”

“Maar zeg, hoe lang blijven jullie eigenlijk?”
“Drie weken.”

“Ja, maar meh kindjes is dah anders hee? Die spelen wel. Maar as ge maar met twee zeit… Das toch anders.”

Later in de middag zien we de buurvrouw briesend naar haar buren lopen. “Zeg, kan die airco misschien ook een keertje uit?! Ik wor gék van die herrie!” Ik kan de reactie van de buren niet horen, maar het lijkt of ze die zelf ook niet afwacht, want ze beent meteen weer terug naar onder haar eigen luifel. Haar man is intussen een stukje opgeschoven en zit nu rustig een boek te lezen.

‘s Avonds komen er, naar ik aanneem, campingvrienden langs om een praatje te maken. Weer verkondigt de buurvrouw luidkeels er klaar mee te zijn. “Je kan nerregens heen, alles is keiduur. In Nederland is het harstikke mooi weer, wah zouk hier nou tobbe? Ik heb een grote tuin, lekker rustig, kannik ook heerlijk van de zon genieten. En overal op de fiets heen. Ja, meh kindjes is dah anders hee, maar as ge maar met twee zeit…”

De buurman is ondertussen de voortent aan het afbreken en lacht eens vriendelijk naar ons. Als hij het laatste afval weg gaat brengen, vraagt de buurvrouw: “Zallik efskes meelopen?” De buurman zegt nee. Ik denk dat hij het zich ook anders had voorgesteld, as ge maar met twee zeit.

Advertenties

Open armen

Willow_Tree_Close_to_Me_26222_www.willowbeeldjes.nl_

Het is zaterdagochtend en zoals alle zaterdagochtenden, zijn we redelijk vroeg op om ons klaar te maken voor de paardrijles van Anne en de voetbal van Daan. Als ik aangekleed beneden ben, kijk ik op mijn telefoon en zie op het startscherm verontrustende berichtjes. Ze komen uit de ‘paardrijapp’, een groepsapp met de moeders van de meisjes waarmee Anne op rijles zit. ‘Oh nee, wat zielig…’, ‘Arme Esmee, ik weet niet hoe ik dit moet gaan vertellen’, ‘Dat wordt een verdrietige les’ en emoji’s in diverse stadia van tranen scrollen onder mijn vingers langs. Wat blijkt? Een van de pony’s is gisteravond overleden.

Ik open de link naar Facebookpagina van de manege en daar staat:
Helaas hebben wij verdrietig nieuws. Zojuist hebben wij afscheid moeten nemen van onze trouwe en dappere Destiny. Door een draai en verplaatsing in haar darmen konden wij helaas niets meer voor haar doen en hebben haar moeten laten gaan. Dankbaar zijn wij voor de jaren plezier die wij gehad hebben met deze onwijs lieve en eerlijke pony. We gaan haar onwijs missen.

Slik. Ik sta nog met mijn telefoon in mijn handen als Anne beneden komt. Even weet ik niet zo goed wat ik moet zeggen, maar dan vraag ik: ‘Heb jij toevallig op de Insta van de manege al iets gezien, gister of vandaag?’ ‘Nee, hoezo?’ ‘Nou, kijk maar.’ Ik laat haar het Facebookbericht en de appjes zien. Ze gaat op de bank zitten en ik wil naast haar gaan zitten, maar dan staat ze weer op en pakt haar eigen telefoon. Ik zie dat het bericht haar geraakt heeft, maar dat ze zich groot wil houden. Ik besluit haar even met rust te laten. Als ik een paar minuten later naar haar kijk, rollen stille tranen over haar wangen. Ik ga weer naast haar zitten en dan zoekt ze toch even troost. Even maar.  Dan haalt ze een paar keer diep adem, snuit haar neus en zegt: ‘Kom, we gaan eten.’

Terwijl dit gebeurde, was Bas al vroeg naar de kapper gegaan. Als wij aan het ontbijten zijn, komt hij thuis. Ik verwacht dat Anne hem meteen het verdrietige nieuws zal vertellen, maar ze zegt niks. Om haar niet weer aan het huilen te maken, laat ik het ook maar even zo, maar als we klaar zijn, vraag ik aan haar: ‘Wil je het niet tegen pappa vertellen, van Destiny?’ En dan zegt ze: ‘Nee, wat maakt hem dat nou uit? Jullie vinden er toch niks aan, die paarden?’

Au. Dat doet zeer. Maar ik snap waarom ze dat denkt. Bas en ik gaan altijd een van beide met haar mee naar paardrijles en we helpen haar met het opzadelen. Maar van het begin af aan, is paardrijden háár ding geweest. Zij wilde het en wij hebben het ‘goed gevonden’. Het meegaan is een beetje een ‘moetje’  en eigenlijk alleen leuk, omdat zíj het zo leuk vindt. Ik heb me er vast wel eens schuldig aan gemaakt, dat ik tegen vrienden of bekenden zei: ik heb er niks mee, met die paarden, maar ja, Anne vindt het zo leuk. En eerlijk is eerlijk, bij de voetbalwedstrijden van Daan sta ik enthousiast aanmoedigend langs de lijn, terwijl ik tijdens de paardrijles met de moeders van de andere dames in de kantine thee zit te drinken, waar je van de les maar weinig meekrijgt.

Ik word wel echt blij als ik Anne zo blij zie, bij die paarden. De manege is haar ‘happy place’, ze begint al te stralen als we er binnenstappen. Ze maakt echt contact met de paarden en ik weet zeker dat de paarden aanvoelen dat ze veilig zijn bij haar. Het gaat haar niet alleen om haar eigen plezier bij het paardrijden. Hoe het paard zich voelt, staat bij haar altijd voorop. Dat is mooi om te zien en dáár geniet ik dus wel heel erg van.

Maar ja, hoe maak ik haar dat nou duidelijk, nu al dit verdriet in de weg zit? Ik bedenk dat dat wel een andere keer komt en zeg: ‘Jij bent er toch verdrietig om? Natuurlijk wil pappa dat dan graag weten.’ Ze haalt haar schouders op en gaat haar rijlaarzen aantrekken.

In de auto zit ze stilletjes naast me en op de radio zingt The Script.

I can’t unfeel your pain
I can’t undo what’s done
I can’t send back the rain
But if I could I would
My arms are open

Lieve schat, wat jou raakt, raakt mij, zo werkt dat nou eenmaal als je moeder bent. Het is niet erg als je dat nu nog niet begrijpt, als je maar weet dat mijn armen altijd open zijn.

Oneerlijk

211841-96869-ah-mini-quiche-tomaat-mozzarella.11-400

‘Anders ga je even mee boodschappen doen.’ Met deze woorden bezegelde ik Daan z’n woensdagmiddaglot. Waar er normaal gesproken op woensdag meestal wel met vriendjes wordt afgesproken, zit nu het gros van de vriendjes in Vlaardingen, om de naam van de school bij een schoolvoetbaltoernooi hoog te houden. En waar Daan daar normaal gesproken ook bij was geweest, zit hij nu met een liesblessure op de bank. De bank thuis, wel te verstaan.

‘Waarom?’
‘Nou, anders moet ik alleen. Dat doe ik altijd al. Ik vind het wel gezellig als je mee gaat.’
‘Ik vind er niks aan.’
‘Ja eh, ik ook niet, maar we moeten toch eten. Dus je kan best een keer mee. Daar leer je ook nog wat van.’
‘Wat dan?’
‘Nou, van alles. Over wat dingen kosten enzo. En waar alles staat. Kan je ook een keer iets in je eentje voor me gaan halen.’
‘Fijn…’

Met veel dramatisch vertoon worden schoenen aangetrokken, autodeuren dichtgesmeten en oorverdovende stiltes in stand gehouden. Maar als we eenmaal bij de supermarkt zijn, kan hij het jongetje van 10, dat onder die sluimerende puber zit, nauwelijks meer verbergen. Hij wil het glas in de glasbak doen, de batterijen in de Stibat bak, het muntje in het wagentje en de statiegeldflessen in de machine. Hij gaat op z’n tenen staan om in de opening te kijken en de flessen op de lopende band te volgen. ‘So! Moet je kijken!’ Hij trekt me naar beneden met m’n hoofd voor het gat. ‘Het lijkt wel een fabriek!’ Kijk, zo ken ik je weer.

De vorige keer dat de kinderen meegingen naar de supermarkt, had ik meteen weer spijt dat ik ze mee had genomen, door het spervuur aan vragen waar ze me aan bloot stelden. Die vragen blijven nu achterwege. Wel zijn er behoorlijk wat dingen waar Daan het helemaal niet mee eens is, in de supermarktwereld.

Zo was ik van plan om donderdag quiche met sla te eten. Op donderdag eten we altijd makkelijk, want dan ben ik laat thuis en moet Daan trainen. Een kant-en-klare quiche kunnen ze zelf in de oven schuiven en sla, dat lukt ook. Dus ik wil de favoriete quiche van de kinderen uit het schap trekken… liggen ze er niet. En niet alleen in de zin van: ze zijn uitverkocht, nee, er is gewoon geen plek meer voor die soort quiche ingericht in het schap.

‘Shit, ze hebben geen tomaat-mozzarella quiches meer!’
‘Echt? Dan moet je het even vragen.’
‘Ja, dat kan ik wel doen, maar ik denk dat ze ze helemaal niet meer hebben, kijk maar, ik zie nergens zo’n plasticje waar ze zouden moeten liggen.’

Daan zoekt mee. ‘Ik zou het toch even vragen.’

Toevallig zie ik de supermarktmanager, die vakken staat te vullen.
‘Hebben jullie toevallig nog van die kleine tomaat-mozzarella quiches?’
‘Nee, die zijn eruit. Die hebben we alleen als ze in de actie zijn.’
‘Nou, wat jammer zeg, die vonden ze het allerlekkerst!’, zeg ik, wijzend op Daan.
‘Ja’, zegt de man tegen Daan, ‘die komen wel weer hoor, maar dat zal nog wel even duren.’

Daan snapt er niks van. En als de man weg is, zegt hij tegen mij: ‘In de actie? Maar die hebben we toch altijd? Dat is dan toch geen actie?’
‘Nee, ik denk dat hij bedoelt dat ze soms het assortiment een beetje afwisselen.’
‘Hoezo?’
‘Nou, mensen willen soms ook wel eens wat anders eten en er is geen ruimte voor alles tegelijk in de winkel.’
‘Ja, maar wie lust er nou geen tomaat-mozzarella quiche??’
‘Dat weet ik ook niet, maar smaken verschillen nou eenmaal. En die supermarktmanager verzint dat niet zelf hoor. Er is iemand die de baas is van alle Albert Heijns in Nederland en die bedenkt wat er dan in de actie is, blijkbaar.’
‘En zegt hij dan gewoon: we doen nu even geen tomaat-mozzarella quiches?’
‘Ik denk het.’
‘Ik vind dat geen aardige man.’

Nadat we discussies hebben gehad over of we wel of niet nog genoeg toetje in huis hebben, wat de voor- en nadelen zijn van Apekoppen versus KitKat mini’s, of het wel of niet handig is om een product met een 35% korting sticker te kopen en waarom we nog genoeg potten Nutella in de kast hebben staan (‘Je kan toch nooit genoeg Nutella in huis hebben?’ Touché), blijft Daan staan bij een display met Vapona producten. Hij is zo in gedachten verzonken dat ik dankbaar van de gelegenheid gebruik maak om de laatste boodschappen bij elkaar te scharrelen en te roepen: ‘Ik ben alvast bij de kassa!’.

Na een tijdje komt hij erbij staan en onder het op de band zetten van de boodschappen, zegt hij: ‘Die mensen van Vapona zijn niet goed hoor.’
‘Hoezo?’
‘Ze hebben al die beesten op de verpakking rode ogen gegeven en ze kijken allemaal zó (doet zijn beste Jack Nicholson in The Shining) en er staat een bloeddruppel bij de mug. Nou, zo zien ze er echt niet uit hoor. Een mug heeft nou eenmaal bloed nodig, daar kan hij ook niks aan doen, een vlieg doet al helemaal niemand kwaad en een mot! Dat is net een vlinder! Waarom wil je die nou doodspuiten??!!’

Zijn volume heeft inmiddels een dusdanige hoogte bereikt dat ze drie kassa’s verder opkijken wie zich zo staat op te winden. ‘En dan de mieren! Die zijn hartstikke nuttig en die werken heel hard! Die staan op de verpakking of ze zware criminelen zijn! Ik vind het HEEL ONEERLIJK!’

Ja, hij heeft zeker weer wat bijgeleerd, in de supermarkt. Maar ik betwijfel of ik hem de volgende keer op een pak melk kan uitsturen…

Trick or treat

halloween snoepVandaag heb ik al het oude Halloween snoep in de kliko gekiept. Let wel: Halloween is op 31 oktober. Dat betekent dat het snoep al vier maanden in de kast c.q. in diverse snoeppotten oud staat te worden. En als het nou nog lekker snoep was… Het is allemaal van die instant cariës troep. Gore winegum afgehakte voeten met nepbloed, kauwgom oogballen en zombie lange jannen. Blegh!

In Amerika was Anne’s favoriete feestdag Halloween. De pompoenen, het verkleden, het trick-or-treaten, de bergen snoepgoed, ze vond het allemaal even mooi. Ook voor de ouders was het een prima feest. Ik weet nog dat onze buren ons voor onze eerste Halloween uitnodigden om met hen mee te lopen, tijdens het trick or treaten. Met kids in vol ornaat en wij wat onwennig in hun kielzog, belden we aan. De buren kwamen meteen naar buiten om aan de tocht der tochten langs de deuren te beginnen en Bas en ik kregen een XL Starbucks beker in onze handen gedrukt. ‘To keep you warm!’, zei de buurvrouw met een vette knipoog en toen ik een slokje nam, proefde ik in plaats van koffie rode wijn. Dat ging helemaal goed komen tussen die buurvrouw en mij, wist ik toen.

Hoe dan ook, toen we weer terugkwamen in Nederland, was er geen discussie over mogelijk: desnoods schaften we Kerst en Sinterklaas af, maar Halloween moesten en zouden we erin houden. ‘Dan organiseren we het toch gewoon zelf? We nodigen vrienden uit en die komen ook verkleed en dan gaan we gewoon langs de deuren! Kom op mam, dat is leuk!’ En hoewel ik er zelf nog wel een beetje een hard hoofd in had, hoorde ik van andere moeders dat er bij hun in de buurt (weliswaar in wisselende mate van enthousiasme) ook Halloween werd gevierd. Een vriendin die in Rotterdam woont, vertelde zelfs dat de hele buurt bij haar mee doet. De huizen en tuinen worden tot ware spooktaferelen omgetoverd, moeders staan avonden achtereen in de keuken om de beste griezelhapjes in elkaar te draaien, kortom, ook in Nederland kan dat allemaal gewoon.

Als het eenmaal zover is, nodigen de kinderen vriendjes en vriendinnetjes uit, volgens goed Amerikaans gebruik eten we pizza en erna: erop uit! Bij het eerste huis waar we aanbellen, doet een mevrouw verbaasd de deur open: ‘Wat zien jullie eruit! Oh wacht, is het Sint Maarten? Dan moeten jullie een liedje zingen, toch?’ Verbouwereerd kijken de kinderen mij aan. Waar heeft dat mens het over? Verontschuldigend zeg ik: ‘Ehm, nee, haha, het is Halloween. Dat is een Amerikaanse traditie. U weet wel, trick or treat? Dan komen de kinderen om een snoepje vragen.’ Het gezicht van de buurvrouw betrekt en haar mond maakt een zuinige streep: ‘Nee, dat ken ik niet. Nou, jullie zien er mooi uit hoor, dáág!’ De kinderen staren nog een tijdje naar de dichte deur en ik zeg: ‘Kom op, die kende het gewoon niet, we gaan naar de volgende!’ De volgende buurvrouw weet wel wat Halloween is, ‘maar daar heb ik geen rekening mee gehouden hoor… oh, wacht even!’. Ze loopt naar de keuken en komt terug met een rol Maria kaakjes. ‘Dan moeten jullie die maar onderling verdelen, dat kan ook, toch?’

Gelukkig zijn er ook mensen die wel snoep in huis hebben en net doen of ze bang worden van hoe de kinderen eruit zien. Een vriendje van Daan heeft een Scream masker op, dat er inderdaad behoorlijk eng uitziet, maar waardoor hij zelf ook bijzonder weinig ziet in het donker. Bij elke plantenbak en uitstekende stoeptegel probeer ik hem te waarschuwen, maar om de vijf minuten horen we toch een gedempt ‘Mmpff’, als hij een stenen sierkonijn over het hoofd heeft gezien of een afstapje mist.

Na verloop van tijd komen we een collectant tegen. ‘Zijn jullie al bij de waterbak geweest? Daar wonen mensen die heel teleurgesteld waren dat ik kwam collecteren, die hadden kinderen verwacht!’ Yes! De kinderen stormen richting waterbak (terwijl ik het vriendje nog net voor een nat pak kan behoeden), maar bellen eerst bij het verkeerde huis aan. In de keuken zie ik een mevrouw met haar ogen rollen. Ze doet open en zegt, niet geheel onvriendelijk maar toch met licht geïrriteerde ondertoon: ‘Jullie moeten bij de buren zijn. Die komen uit Amerika, die vinden het wél leuk…’ En terwijl de kinderen inderdaad bij de buren prachtige spooklollies in ontvangst mogen nemen, begin ik de hele exercitie steeds gênanter te vinden.

Wie heeft dat eigenlijk bedacht, dat je je kinderen langs de deuren stuurt om snoep te gaan vragen? Het voelt hier in het calvinistische, nuchtere Nederland, zonder die uitbundige Amerikanen, de prachtige, alom aanwezige versieringen en de kracht van de aantallen, totaal misplaatst. Als klap op de vuurpijl doet bij de volgende deur een mevrouw open, die zegt: ‘Wij geloven in de Here Jezus en níet in Halloween!’ Nou mevrouw, u haalt me de woorden uit de mond. Want hoewel ik dan weer niet in de Here Jezus geloof, begin ik ook steeds minder te geloven in Halloween. Geef mij Kerst en Sinterklaas maar. Vreemd genoeg houden we daar ook nooit snoepgoed van over…

 

 

Iemand de hand boven de rookworst, eh… het hoofd houden

unox-gelderse-rookworst-50093027

‘Weet je wat ik een leuke reclame vind?’ We zitten aan de ontbijttafel en Anne stopt de laatste hap boterham naar binnen. ‘Nee?’ ‘Die van de Unox, met die opa en het schaatsen.’ ‘Die ken ik niet.’ ‘Wacht effe.’ Ze pakt haar telefoon, zoekt de reclame op en laat me hem zien.

Een opa en zijn kleinzoon gaan schaatsen. De opa neemt een stoel mee voor zijn kleinzoon. Ze gaan het ijs op, de kleinzoon gaat zitten op de stoel, de opa bindt hem zijn schaatsen onder en doet dan zijn eigen schaatsen aan. Hij zet zijn kleinzoon achter de stoel en die schaatst er vandoor. Opa probeert hem bij te houden, maar je ziet dat zijn stramme ledematen niet meer willen wat opa wil. En hij valt. Kleinzoon kijkt om en schaatst terug. Al gauw schaatst opa achter de stoel en de kleinzoon schaatst naast hem de sterren van de hemel. Weer thuis vraagt mamma onder het eten: ‘En, ging het, met die stoel?’ Het mes van opa hangt net boven de rookworst (want er wordt natuurlijk stamppot gegeten) en hij blijft even in de lucht hangen. Opa en kleinzoon kijken elkaar aan en kleinzoon knikt enthousiast: ‘Ja… heel goed zelfs!’ Tegelijkertijd klinkt het welbekende Unox harmonicamuziekje (tudududuuuu tududuuuuu) en snijdt opa een fors groter stuk rookworst af dan waar zijn mes eerst boven hing.

Knap toch, hoe ze met een combinatie van beelden, muziek en gevoelens van nostalgie het zelfs met een reclame voor elkaar krijgen, dat ik volschiet. Damn you hormones!!

’s Middags krijg ik een appje van Anne.

  • Mag ik vanmiddag bij Hannah afspreken om aan aardrijkskunde te werken en kunnen jullie mij dan komen halen met m’n fiets in de achterbak?
  • Nou, in mijn auto gaat dat niet passen, maar misschien wil pappa?
  • Pappa is met de bus vandaag
  • Oh ja. Dan gaat het niet.
  • Jaaa, dat kan je niet doen, ik heb het nu al afgesproken!!

Ze is twaalf. Ik ben echt zo benieuwd hoe vaak ik nog tot tien zal moeten tellen, voordat we aan de overkant van de puberteit zijn… Maar goed, na wat heen en weer bellen, de moeder van Hannah die aanbiedt om haar thuis te brengen en een planning die uiteindelijk totaal anders loopt dan ik aan het begin van de dag heb bedacht, ga ik haar toch om zes uur met Bas z’n auto halen.

Nu hebben we haar nieuwe fiets nog nooit achterin gehad, dus het is even kijken hoe dat gaat. Eh… niet, eigenlijk. Het gaat niet. En het is moeilijk om toe te geven, maar als iets niet lukt, dan komen mijn allerslechtste karaktereigenschappen naar boven. Vraag maar aan Bas, toen hij probeerde mij te leren skiën. Echt, ik bijt je kop eraf, als je bij me in de buurt staat en iets, dat in ieder anders boekje een fluitje van een cent is, míj dan natuurlijk net weer niet lukt. Ik ga schelden, stampvoeten en maak het liefst dat waar ik mee bezig ben, he-le-maal kapot.

Dus die fiets… tsja… Met het voorwiel eerst erin gaat niet. Met het achterwiel eerst bijna, maar dan kan de klep niet dicht. We worden gered door het feit dat Hannah erbij staat (zo’n nieuw vriendinnetje in Anne’s nieuwe klas wil je toch niet metéén een filterloos inkijkje in je ware ik geven), anders hadden de buren vast achter de gordijnen gaan staan kijken wie daar zo’n stennis staat te schoppen op straat. Want ook nu zijn de ‘allemachtig, dat méén je toch zeker niet!’, ‘nee, kijk nou uit, zo gáát het niet!’ en ‘dit is dus meteen de LAATSTE keer dat we dit gedaan hebben, voortaan ga je maar fietsen!’ niet van de lucht. Met als enige aantoonbare schade een afgebroken batterijdisplay, kunnen we uiteindelijk met een slakkengang (want halfopen achterklep) richting huis.

Aan tafel vraagt Bas: ‘En, ging het, met die fiets?’, waarop Anne zegt: ‘Nou, eigenlijk niet, want hij paste niet zo goed achterin…’ En Bas, met nauwelijks verholen leedvermaak: ‘Oh, dat was zeker wel gezellig dan, met mamma? Of kon ze zich een beetje inhouden?’ Anne en ik kijken elkaar aan, ze laat een denkbeeldig mes in de lucht langs een denkbeeldige rookworst op haar bord gaan, zegt tegen Bas: ‘Ja hoor, dat ging heel goed zelfs!’ en neuriet daarna: ‘Tudududuuuuuu, tududuuuuu….’