Als het maar droog is

the-rain-and-the-sun“Mam! We hebben lekkage! Er loopt water uit de lamp in de bijkeuken!” Het is op een donderdag in de zomervakantie, tien uur ’s ochtends en ik zit op m’n werk. Anne belt op m’n mobiel en klinkt behoorlijk in paniek. En hoewel water uit de lamp inderdaad aanleiding mag zijn tot een lichte vorm van paniek, begrijp ik het niet zo goed, want Bas is thuis met de kinderen. “Oh jeetje zeg, dat klinkt niet best. Maarreh, pappa is toch thuis?” “Ja, natuurlijk, maar het lekt écht heel hard hoor, het loopt over de drempel zó de hal in! Wacht, ik stuur even een filmpje!” Hangt op. Natuurlijk, puber in wording, dan wil je als ouder paniek in de stem nog wel eens verwarren met pure sensatiezucht.

Naast dat het donderdag is, is het ook twee dagen voordat we op vakantie gaan. Al-tijd fijn, zo’n akkefietje, als je ook bezig bent met inpakken, laatste boodschappen, schoonmaken, alternatief onderdak voor de huisdieren regelen en orchideeën naar gezellig kletsende buurvrouwen brengen. Waardoor we op de dag voor vertrek nog de loodgieter over de vloer krijgen (of liever gezegd: over het dak) en de schade-expert van de verzekering. Gelukkig had Bas de dag ervoor alles, zo goed als en zo kwaad als het ging, droog gekregen, alles van waarde op een hoger niveau gezet en alles met de elektriciteit geregeld (gedoe met aardlekschakelaars en onbruikbare groepen… huuh…), dus daar heb ik geen werk meer aan. De buurvrouw belooft om bij harde regen te gaan kijken of het nog steeds lekt, ik geef haar het nummer van de loodgieter, just in case, en dan gaan we toch maar op vakantie. Naar Engeland, dit jaar.

Ook in Engeland blijft het de twee weken dat we daar zijn, niet alle dragen droog. Dat weet je van tevoren natuurlijk, als je naar Engeland gaat, maar we gingen naar het ‘tropische deel’ van Engeland, Cornwall en South Devon. Van verschillende kanten was mij al verzekerd dat het daar ‘echt veel minder’ regent dan in de rest van Engeland. Nou weet ik niet wat voor noodweer ze dan in de rest van Engeland hebben gehad, maar ook op onze in de tropen gelegen camping krijgen we de nodige watergordijnen en windhozen over ons heen.

De eerste dagen gaat het nog goed en op de dag dat het mooiste weer voorspeld wordt, gaan we naar een zwembadencomplex aan de kust, met allemaal verschillende glijbanen. De zon schijnt, het is warm, een fantastische dag. In de middag ziet de lucht er af en toe dreigend uit, maar steeds wijken de wolken af en we houden het droog. Geen moment komt het in me op dat het 30 kilometer verderop misschien wel heel hard zou kunnen regenen, totdat we ’s avonds thuiskomen en blijkt dat we twee zijflappen van de tent open hebben laten staan… Een hele tas met kleren is doorweekt, de elektrische kachel durven we voorlopig even niet aan te zetten door de hoeveelheid water die eruit komt lopen en wéér kunnen we dweilen…

Na een paar dagen regen vraagt de Britse buurman van een paar tenten verderop (leuke bos blonde krullen, precies goed stoppelbaardje, vrolijke ogen… lijkt eigenlijk helemaal niet Brits, meer Zuid-Europees… maar ik dwaal af): “So are you enjoying our real British summer? I’m telling you, we’ve had the best summer in years, right up until the day we arrived here!’ Hebben wij dat. Gelukkig zitten er ook nog prima droge dagen tussen, waarbij het weliswaar jasje-aan-jasje-uit blijft, maar we kunnen heel mooi de omgeving verkennen en van het prachtige landschap genieten.

Wel valt het ons op dat die ene Britse buurman de enige campinggenoot is, die een beetje gezellig doet. Er zijn geen andere Nederlanders op de camping (of überhaupt andere Europeanen), alleen maar Britten. En man, wat zijn die afstandelijk zeg! Er kan nog geen gedagje vanaf als ze voorbij lopen, de kinderen spelen alleen maar met elkaar, niemand maakt een praatje bij het afwasgebouw… Ik hoef heus niet elke avond bij iemand anders te zitten, maar zo af en toe even ervaringen uitwisselingen of gewoon ‘waar kom je vandaan’, dat is toch een gedeelte van de charme van kamperen. Ook het personeel in pubs en winkels vinden we niet bijzonder (klant)vriendelijk. Nu zijn wij natuurlijk die over the top joviale Amerikanen gewend, maar ik had eigenlijk van die Britten wel een soort John Cleese-achtige zelfspothumor verwacht. Het blijkt dat hij niet voor niets de draak steekt met de inborst van zijn landgenoten.

Toch komen we uiteindelijk nog een Brit met humor tegen. In een souvernirwinkeltje werkt een jongen van begin twintig, die geïnteresseerd vraagt waar we vandaan komen en hoe we het hier vinden. Om hem niet voor het hoofd te stoten, klets ik er een beetje omheen en zeg dat de camping mooi is en de omgeving prachtig. Maar omdat Anne een hoodie wil laten bedrukken en het uitzoeken van de letters een eeuwigheid duurt, blijft hij maar doorvragen over of we het naar ons zin hebben. Ja eh, als je het dan écht wil weten, dus ik zeg: “Well, I do have to say, we’ve been to a lot of countries in and outside of Europe, but the people here are… how do I say this… they kind of keep to themselves, don’t they?” De jongen knikt vrolijk en vol herkenning en zegt: “I know! I’ve just been on holiday with my girlfriend to Mallorca and people are so different on the mainland. They are much more open and welcoming!” Hè gelukkig, ik heb hem niet beledigd. Dus ik voeg er nog aan toe: “It’s funny with the guests at the campground, it’s like they really don’t want to talk to you.”

Hij lacht en zegt: “Yes, we tend to get a bit moody. I think it’s the weather.”

Als we na nog twee dagen regen bij de eerste zonnestralen weer uit onze tenten tevoorschijn komen, zegt de vriendelijke camping-Brit: “Right, that’s it, we’re going home. Too much rain for us!” En ik denk: meen je dat nou? Houden we het gewoon langer uit in de regen dan de locals? Ik denk toch dat hij tweede generatie Griek was.

Advertenties

Leeg nest

empty-nest-ftrMet enige regelmaat verzuchten Bas en ik tegen elkaar: ‘Fijn hè, dat ze al zoveel zelf kunnen?’. Zeker op zo’n camping zijn de verschillen goed zichtbaar tussen ouders met kinderen in de luiers en die waarvan de kinderen in de onderhoudsluwe fase zijn beland. Waar de eerste categorie ouders verhit de heuvels op en af hun peuters achterna zitten, verplicht mee het springkussen op en het zwembad in moeten en ’s avonds in het douchegebouw besluiten de volgende keer toch echt die herriestoppers mee te nemen, zie je de tweede categorie relaxed met een versnapering bij de tent / caravan / het zwembad zitten, terwijl de kinderen met dezelfde dag gemaakte vriendjes zichzelf vermaken en alleen af en toe een handje chips komen halen of om een ijsje komen vragen.

Toen wij nog in de eerste categorie vielen, keek ik altijd verlangend naar de ouders met grotere kinderen. Wat heerlijk leek me dat, uren ongestoord een boek te kunnen lezen! ’s Avonds lekker lang over de marktjes te kunnen dwalen zonder met bedtijd rekening te hoeven houden. Tot 9 uur uitslapen in plaats van om half 7 met een huilende baby de hele camping wakker maken. Maar nu moet ik toegeven dat ik het eigenlijk wel een beetje mis. Ik heb last van vervroegd legenestsyndroom.

Na het ontbijt gaat Daan de hele ochtend voetballen en Anne naar de knutselclub. Zogenaamd om de kleinere kinderen te helpen, maar ondertussen hebben we al een dromenvanger, een lampion en een bloem van propjes crêpe papier in de tent hangen. Met moeite krijgen we ze aan de lunchtafel, waarna er zo snel mogelijk gezwommen moet worden. Voor de vorm gaan we dan nog mee en met een beetje geluk komt Daan nog wel eens met een handdoek omgeslagen lekker bij me zitten op het zwembadbedje, maar verder komen we toch vooral in beeld als er behoefte is aan catering. Ik heb al drie boeken uit.

We hebben afgesproken dat de kinderen de ontbijt- en lunchafwas doen en Bas en ik die van het avondeten, dus ook onder het afwassen zien we de kinderen niet. Wél horen we ze vanaf het sanitairgebouw uit volle borst ‘It’s the hard knock life’ zingen onder de afwas, maar dan zeggen we tegen voorbijgangers altijd dat het Amerikaanse kinderen zijn die wij niet kennen.

Toen Bas en ik een keer stonden af te wassen, stond er een Nederlandse man naast ons en rondom zijn benen drentelde een allerschattigst meisje van een jaar of vier. ‘Pappa, kijk eens, hoe mooi ik kan dansen?’ Pappa stond net te zwoegen op het barbequerooster en had even geen tijd. ‘Pappa? Paaapppaaaa!!! Kijk nou even! PAPPA!!’ De pappa keek en ze maakte een mooie draai, waarbij haar zomerjurkje meezwierde in de warme zomerlucht. ‘Goed hoor’, zei de pappa, waarna hij zich weer over het rooster boog. Ik wilde zijn arm aanraken en tegen hem zeggen: ‘Laat die afwas nou even en dans met je dochter. Nu wil ze nog.’ Maar ik deed het niet.

Toen ik bij de tent het gasstel had schoongemaakt, liep ik nog even terug om het sopwater weg te gooien. Terwijl ik de vaatdoek stond uit te spoelen, hoorde ik een kind hartverscheurend huilen. Nu is dat niet ongebruikelijk vanuit het douchegebouw van een camping, maar meestal hoor je dan een vader of moeder iets terugzeggen in de trant van: ‘Nou, kom op, even de shampoo uitspoelen en dan ben je klaar’, of ‘Stoot je nou zo hard je hoofd tegen de kraan?’. Maar hier hoorde ik geen ouderlijke susgeluiden, alleen maar huilen. Ik besloot even poolshoogte te gaan nemen.

In de deuropening van een van de wc’s stond een poedelnaakt jongetje van niet ouder dan drie. Hij was rood aangelopen van verdriet en de tranen hadden witte sporen over zijn groezelige wangetjes getrokken. ‘Wat is er aan de hand?’, vroeg ik. Verschrikt keek hij me aan en ik dacht: misschien is hij wel Frans, dus ik voegde er nog aan toe: ‘Ça va?’.

‘Het lukt me niet’, zei hij met een benauwd stemmetje. ‘Wat lukt niet? Naar de wc gaan?’ ‘Nee, om mijn bi-hi-hillen af te vegen’, huilde hij verder. ‘En mijn moe-hoe-hoeder zit in de caravan en die hoort mij niet!’

‘Zal ik je anders even helpen?’ Uit ervaring weet ik dat niet alle kinderen het goed vinden als vreemde moeders hun billen afvegen en ik snap dat. Maar dit jongetje had, getuige de zon die doorbrak op zijn gezicht, de hele dag nog geen beter nieuws gehad en zei: ‘Ja.’ ‘Oké, nou, ga maar weer even zitten dan, op de wc, dan kan ik er beter bij.’ En dat deed hij. Ik veegde die kleine billetjes schoon, wachtte tot hij zijn broek had opgehesen, hielp hem met handen wassen en samen liepen we het gebouw uit.

‘Ik moet daarheen mefrouw.’
‘Oké, mijn tent staat daar, dus ik ga daarheen, goed?’
‘Oké.’
‘Doei.’
‘Doei!’

Hij zwaaide. Ik heb me in tijden niet zo nuttig gevoeld.

De beste stuurlui

12065700561929757365johnny_automatic_Accommodations_3.svg.med

Onze eerste kampeertrip van het seizoen is een feit. Voor de tweede en laatste keer naar Hersheypark. En met gepaste trots kan ik melden dat ieders knieën heel zijn gebleven, we de kaartjes meteen de eerste keer bij ons hadden en ik zelfs toetenpoetsers bij me had!

Een van de leukste dingen van kamperen is toch wel dat het zo makkelijk is om mensen te kijken. Bij de wasbakken stond ik bijvoorbeeld naast een meisje van begin twintig. Ze praatte met haar vriendin die in een douchehokje stond. ‘What are you wearing to the park today?’ De vriendin mompelde iets onverstaanbaars, waarop zij antwoordde: ‘I’m going to, like, wear, like, leggings and, like, a sweatshirt, cause that, like, always works.’ Ooohh, ik ben echt zo vreselijk blij dat we weer naar Nederland terug verhuizen. Stel je toch voor dat Anne over een paar jaar ook alleen maar zo zou praten, ik gruwel ervan.

Ik weet het, het is een heel slechte eigenschap, om zo kritisch op andere mensen te zijn. Kijken hoe andere ouders het doen is ook zo fout, maar wel héél leuk. Een paar plaatsen verderop op de camping had een kleuter een driftbui van epische proporties. Vijf minuten daarvoor had ik die moeder haar dochter al terug naar de tent zien duwen, terwijl het kind luid protesteerde ‘I don’t wanna go!!’ Ik denk gevalletje ‘we gaan eten en je moet uit de speeltuin’. Zo, maar die meid kon er wat van zeg! Je kan natuurlijk moeilijk de hele tijd gaan staan kijken, maar toen het geluidsniveau dusdanig werd, dat ik ging twijfelen of het nog wel een kind was die aan het krijsen was, of dat ze toevallig ook een hondsdolle wolf hadden meegenomen, zag ik dat ze haar aan tafel hadden gekregen, maar ze zo heftig met haar stoel begon te schudden, dat ze met stoel en al achterover kiepte, zó met haar hoofd in de kiezels.

Met een mengeling van medeleven (arm kind en arme ouders) en opluchting (die fase hebben wij gehad) zag ik dat de moeder het kind ging troosten en gelukkig was het daarna snel over. En wat een rotmens ben ik dan ook eigenlijk dat ik er ook nog achteraan dacht: Ja, lekker bijdehand, om dat kind aan tafel te zetten als ze nog zo overstuur is. Vinden we als ouders eigenlijk niet allemaal dat we het zelf het beste doen? En als iemand in onze omgeving dreigt te falen, versterkt dat ons idee van superioriteit alleen maar. Ik ben ervan overtuigd dat ik geen bovennatuurlijke opvoedkrachten bezit, maar toch denk ik bij het zien van dat soort voorvallen: Bij mijn kinderen was het nooit zover gekomen!

De dag erna kreeg ik van het universum een lesje in nederigheid. Ik stond in het douchegebouw en er kwam een moeder binnen die haar twee dochters onder de douche ging doen. Tegelijk. In mijn hoofd klonk het: Zo, jij liever dan ik, succes ermee! En ja hoor, haar kinderen bleken ongeveer uit hetzelfde hout gesneden als die van mij als het op douchen op de camping aankomt, want het gesprek vanuit het douchehokje ging ongeveer zo.

Kind 1: It’s hot!
Moeder: It’s not hot.
Kind 1: It’s hot!
Moeder: Well, I can’t get it any colder than this.
Kind 1: It’s too hot!
Kind 2: I’m cold!
Moeder: Just a second, you can go after your sister.
Kind 1: It’s hot!
Moeder: There is some black stuff in your neck, here, let me get it off.
Kind 1: It’s okay mom, let me go.
Moeder: It’s not okay.
Kind 1: Mom, it’s okay.
Moeder: No, it looks gross, let me get it.
Kind 2: I’m cold!
Kind 1: Mom, IT’S OKAY!
Moeder: Can you please hold still?
Kind 2 begint ondertussen hard te zingen: I CAME IN LIKE A WRECKING BALL! I NEVER HIT SO HARD IN LOVE!
Kind 1: It’s okay!
Moeder: Alright, it’s gone, now you come here.
Kind 2: ALL I WANTED WAS TO BREAK YOUR WALLS, ALL YOU EVER DID WAS WRECK ME!
Kind 1: I’m cold!

Maar rustig dat die moeder bleef! Terwijl ik allang met zeven kleuren eczeem in m’n nek als een krijsende heks een van de twee uit het hokje had verjaagd, was deze moeder als een vlakke oceaan. Respect, mamma van deze meisjes. De volgende keer dat ik in gedachten mijn oordeel klaar heb over een andere moeder, zal ik aan jou terugdenken en mezelf een denkbeeldige schop onder m’n kont geven.

 

Kamperen

Kamperen

Poehee, het is weer achter de rug, de kampeervakantie. Tijd om bij te komen! Want waar ik het vroeger nog reuze avontuurlijk vond om in een tentje te slapen, vind ik het nu eigenlijk meer gedoe dan wat anders.

Ten eerste is kamperen eigenlijk alleen leuk als het mooi weer is. Als het regent, ben je zwaar de sjaak, zeker met die twee minitentjes van ons. Die zijn namelijk vooral om in te slapen en niet om in te zitten of te staan, om van een gezellig bordspelletje rond de tafel nog maar te zwijgen. Nou kan je natuurlijk altijd iets gaan doen, als het regent. Boodschappen ofzo. En dat je dan uit armoe nog maar wat langer op de parkeerplaats van de supermarkt blijft staan, omdat je droog zit in de auto en er WiFi is. ‘Ja jongens, het regent nou eenmaal, pak nog maar een boekje uit je tas…’ En dat als je dan uiteindelijk na een natte en koude dag besluit om een warme douche te nemen, je alsnog tussen de koude en klamme dekens moet. Wat de zin voor verdere avonturen tussen de lakens natuurlijk ook geen goed doet. Ik weet nog dat er niets spannender was dan vrijen in de tent terwijl de buren je konden horen en je dus heel stil moest zijn. Nu de buren onze eigen kinderen zijn, geeft dat toch weer een heel andere dimensie aan het geheel, die het libido danig naar beneden brengt.

Dan heb je nog de waterkwestie. De meeste kampeerplekken hebben wel een kraantje met koud water op elke plaats, maar wij hadden deze zomer precies een camping gevonden die dat niet had. En dus liepen we voor elke wissewas (letterlijk) naar het wasgebouw. Afwassen kon dan weer niet bij het wasgebouw, dat was verboden in de gootstenen daar. Ik snap dat het niet zo fris is om in dezelfde gootsteen als waar iemand z’n tanden poetst en contactlenzen schoonmaakt ook je pastapan te gaan staan afwassen, maar hoe moeilijk is het om daar een aparte gootsteen voor aan te wijzen? Nee, lekker nog een keer heen en weer naar je tent, met een teiltje getapt warm water, alwaar iedereen dan het afwaswater stilletjes in de bosjes kiept. Dat is pas fijn voor het milieu.

Deze camping was zelfs zo milieubewust, dat je met muntjes moest douchen. Een dollar voor vijf minuten warm water. Ken je dat? Dat je eerst een minuut staat te mengen voor je eronder kan, dan in een noodtempo eerst je haar gaat wassen, want er is niets ergers dan je haar met koud water te moeten uitspoelen. Dan snel de rest en dat je dan met de zeepbellen nog tussen je tenen het al lauw voelt worden? Laat staan dat er tijd is om benen, oksels of andere behaarde gebieden onder handen te nemen. Aan het einde van de vakantie kon ik vlechtjes maken in m’n beenhaar.

Ongemakken van een heel andere orde zijn de natuur, de dieren en het ongedierte. Vorige zomer gingen we een weekje kamperen op Cape Cod. Op een avond hadden we in een luie bui de afwas buiten laten staan. Het regende (alweer) en we hadden geen zin om door de regen naar het wasgebouw te lopen. Word ik ’s nachts wakker van gerommel in onze afwasteil.

‘Bas!! Er is iets buiten in onze afwasteil!’
‘Huh? Nou ja, lekker laten gaan, hebben ze ook nog wat te eten.’
‘Ja, lekker ben jij, straks is het een beer!’
Hoongelach
‘Nee joh, er zitten geen beren op Cape Cod.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Er is hier alleen maar strand!’
‘Oh ja. Nou, wat zou het dan zijn?’
‘Weet ik veel. Moet je even kijken.’

Nou, tot zover mijn held die dat wel even voor mij ging uitzoeken. Met kloppend hart ritste ik het tentdoek open en scheen met de zaklamp naar buiten. Shit, de tent van de kinderen stond ervoor, ik zag helemaal niks. Nou, maar weer liggen dan. Even later hoorde ik geslof (echt, geslof!) langs onze tent richting de vuilniszak. Stelletje sukkels, die hadden we ook buiten laten staan! Inmiddels trilden mijn vingers zo erg dat ik haast de rits aan de andere kant niet meer open kreeg, maar toen het toch lukte, zag ik…. Een stinkdier! Het beest keek lijzig achterom naar wie er zoveel herrie maakte en liep toen op z’n dooie akkertje de bosjes in. Gek is dat, dat dieren altijd veel groter klinken als je ze niet kan zien…

Afijn, om een lang verhaal kort te maken, ik ben aan het einde van een kampeervakantie vaak moeier dan ervoor. De gebroken nachten door eindeloze regen op het tentdoek en windhozen, voorbij sloffende dieren of juist niet in slaap kunnen vallen door het verkeer op de snelweg, die vlak langs de camping loopt en die je bij het boeken op het overzichtskaartje per ongeluk over het hoofd had gezien. En moet je zelf niet midden in de nacht eruit om te plassen, dan staat er geheid in het pikkedonker wel ineens een kind in je tent. ‘Mam, ik moet plassen, wil je even mee?’ Ach ja. En dan loop je daar samen, onder de sterren, met een klein handje, warm en zacht in die van jou, waar een slaapdronken ventje bij hoort, die zegt: ‘Gezellig hè, mamma?’. En dan is het eigenlijk ook allemaal wel weer goed.

Pappa en mamma hébben geen ruzie!

quarrel

De Tomtom is de allerbelangrijkste uitvinding van onze tijd. Ik zeg: geef de man die dat bedacht heeft de Nobelprijs voor de vrede. Want zeg nou zelf, hoe zouden de scheidingspercentages eruit hebben gezien als er geen navigatiesystemen waren? Twee op de drie huwelijken kapot? Het zou me niets verbazen.

Maar zelfs met die handige Tomtom app is enig routegehakketak bij ons schijnbaar niet te vermijden. Als ik in mijn eentje rij, bereik ik altijd feilloos, zonder omwegen en keurig op tijd de plaats van bestemming. En mocht het toch een keer mis gaan, dan dirigeert mijn Tomtommevrouw mij vriendelijk en efficiënt naar de eerstvolgende afslag. Helaas gaat het met mijn gewaardeerde echtgenoot op de bijrijder stoel soms toch nog mis.  ‘HIER moet je al naar rechts! Ja, nu, NU!!’ En als je dan met gierende banden en schreeuwende claxons om ons heen, nog net de bocht kan maken zonder de vangrail mee te nemen, klinkt het ‘Oh, het was toch de volgende’ toch een stuk minder efficiënt. Waarna het fijntjes vanaf de achterbank toegevoegde ‘Geen ruzie maken!’ kan rekenen op een nét iets te hard ‘Pappa en mamma hébben geen ruzie!’

Maar goed, de ellende die onze ouders hebben meegemaakt, blijft ons gelukkig bespaard. Ik kan me die ruzies in Zuid-Duitsland nog maar al te goed herinneren, met mijn moeder die de voorruit blokkeerde met de Michelinkaart en mijn vader met stoom uit zijn oren over de zoveelste met rechts verwisselde links. Het huwelijk van mijn ouders heeft het tragisch genoeg niet overleefd.

Dus toen wij een paar weken geleden voor een lang kampeerweekend naar Washington DC vertrokken, waren wij eens te meer in onze nopjes met het fantastische fenomeen van het navigatiesysteem. Zo jammer dat niemand nog iets bedacht heeft op dat andere verschijnsel dat de eerste vakantiedag zo finaal in het honderd kan laten lopen: file. We hadden het eigenlijk wel kunnen weten. Memorial Day, een van de grote feestdagen in de VS. Natuurlijk zijn er dan meer mensen die een paar dagen weg gaan. En ook al waren we best vroeg vertrokken, er was geen redden aan: een rit die normaal gesproken 3,5 uur zou moeten duren, kostte ons nu 7 uur. Gelukkig hadden we genoeg doeboeken, zoekboeken, leesboeken, kleurtjes, loco en spelletjes op onze telefoon voor een weeshuis op de achterbank, zodat de kinderen het allemaal wel best vonden. Maar wij zagen de tijd verder tikken richting de avond en… richting de tent opzetten in het donker.

Een tent opzetten an sich is voor de meeste relaties al een uitdaging, maar in het donker een (let op) nieuwe tent opzetten, dat is toch wel de goden verzoeken. Gelukkig zijn we allebei bijzonder beschaafde mensen, die zelden of nooit schelden. De frustratie en irritatie komen er bij ons dan ook altijd zeer beheerst uit. ‘Ja, lieverd, maar als je die haring er zo insteekt, dan blijft hij natuurlijk nooit vastzitten.’ ‘Nou, LIEVERD, als jij die haringen dan gewoon even lekker zelf doet, dan ga ik de luchtbedden pakken.’ Verder heeft Bas de gewoonte om, als het donker is, hij zijn handen vrij moet hebben en óók nog iets moet kunnen zien, de zaklamp in zijn mond vast te houden. Waardoor de goedbedoelde aanwijzingen ongeveer zo klonken: ‘Hie sok hoet eh ach gag’ (die stok moet in dat gat) en ‘Ge ogening hig ang hie kang’ (de opening zit aan die kant). Het is dat het droog is gebleven die avond, anders had ik het zo net nog niet geweten…

Toen ik later onze bezoekingen aan mijn chiropractor uit de doeken deed, zei zij: ‘Nou, dan weet je meteen een goed Vaderdag cadeau: een hoofdlamp!’ Hadden we jáááren eerder moeten doen!