Eindsprint

Het is lente, jongens. Terwijl de kinderen Netflix en YouTube bijna uit hebben en wij allemaal een schrijnend vitamine D tekort hebben van al dat bankhangen, gebeuren er buiten echt dingen, waaraan je kan merken dat het voorjaar in de lucht hangt. Meerkoeten en futen die op hun nest zitten aan de waterkant. De mooiste bloesems aan de bomen. Langere dagen, met van dat prachtige, laaghangende licht.

Ik heb een nieuwe baan en daarvoor mag ik, vooralsnog, al mijn werkdagen naar kantoor, om ingewerkt te worden. En mijn forensenverkeer bestaat vandaag de dag uit het uitrijden van een dijk. Best een lange dijk hoor, het duurt ongeveer een kwartier, voor ik er ben. Maar toch. Aan mijn lijf geen snelwegen meer, in de spits. Op een van die ritjes, rijd ik achter een jongen en een meisje op de fiets, die elkaars hand vasthouden. Allemachtig, wat is dat lang geleden, dat je zo verliefd was, en zo slecht van elkaar kon afblijven, dat je zelfs onder het fietsen elkaars hand vast wilde houden…

Op een van die mooie avonden, gaan Bas en ik na het eten een rondje lopen. Net de hoek van onze straat om, komt er een man met een rollator ons tegemoet. Hij gaat ongewoon snel voor een man achter een rollator. Sterker nog, hij is eigenlijk gewoon aan het rennen! Zo snel als zijn benen hem bij kunnen houden. Met een vastberaden en enigszins verwilderde blik, schiet hij ons voorbij. Bas en ik kijken elkaar aan en moeten er eigenlijk een beetje om gniffelen. Totdat we dertig seconden later achter ons iets horen, we omkijken, en zien dat de man gevallen is. Bas trekt een sprintje en ik kijk het tafereel even van een afstandje aan. Hij helpt de man omhoog, vraagt hem wat en gebaart mij dan om ook te komen. Als ik dichterbij kom, zie ik dat de man nauwelijks kan blijven staan. Zijn linker wenkbrauw is geschaafd, maar bloedt niet.

  • Dag meneer, wat vervelend, dat u gevallen bent! Gaat het een beetje?
  • Ja hoor.
  • Waar moet u naartoe?
  • Nou, ik ben aan het lopen, ik ga straks hier de hoek om.
  • Wilt u niet liever naar huis?
  • Nee, ik moet hier de hoek om.
  • Zullen we anders een stukje meelopen?
  • Ja, dat zou wel fijn zijn.

We lopen een stukje in stilte met hem mee. Bas moet hem stevig ondersteunen, want de man duwt steeds de rollator te ver voor zich uit, waardoor zijn benen het niet kunnen bijhouden en we vaak stoppen om zijn benen te laten ‘inhalen’, om te voorkomen dat hij weer valt.

  • Wat heeft u aan uw benen, meneer?
  • Ik heb de ziekte van Parkinson.
  • Ach jeetje, wat naar zeg.
  • Ja, dat valt niet mee. En die rollator doet ook niet wat ik wil. Maar ja, je kan ook niet heel de tijd achter de geraniums blijven zitten, toch? 

Na nog een paar minuten komt er achter ons een oudere vrouw op snel wandeltempo aanlopen. Ze heeft een jas over haar arm en ziet er gehaast uit. Vanuit de verte roept ze al: ‘Hij hoort bij mij!’. Als ze bij ons is, zegt ze tegen haar man: 

  • Waar was je nou ineens? Ik ben jou kwijt! Moet je geen jas aan?
  • Nee, ik hoef geen jas aan, het is helemaal niet koud.
  • (tegen ons) Vinden jullie het ook niet koud?
  • Ik, glimlachend: Nou, nu niet meer…

De vrouw besluit de jas te laten voor wat het is en wil de man van Bas overnemen. Nadat we erop aandringen om mee te lopen naar huis, gaan de mannen voorop en de vrouw en ik er achteraan. Achter hun rug om, maakt haar mond, zonder geluid, de woorden: hij is weggelopen. Ik hou een beetje in en als we buiten gehoorsafstand zijn, vertelt ze dat haar man behalve de ziekte van Parkinson, ook Alzheimer heeft. Dit is al de derde keer vandaag dat hij probeerde weg te lopen en nu was ze in de keuken bezig en was hij ineens weg. De kapotte wenkbrauw is van een paar dagen geleden. Toen was hun dochter langs geweest, maar hij had geprobeerd haar uit de weg te duwen, omdat ze hem tegen wilde houden om weer naar buiten te gaan. En toen was hij gevallen. Ze vertelt nog even verder en ik voel haar verdriet. Wat afschuwelijk, om zo als echtpaar te eindigen. Ze zien eruit als lieve mensen, die een fijn leven samen hebben gehad. Ik hoop dat ze af en toe samen nog die tijd kunnen terughalen, dat ze hand in hand over een dijk fietsten en hun leven nog voor zich hadden. En dat dat dan een beetje troost biedt. 

Struisvogel

Ik ben een stuk gaan wandelen. Begrijp me niet verkeerd hoor, ik hou van mijn huis. Ik ben er graag. Kan zo een hele zondag lekker rondhangen. Wasjes draaien, spelletje doen, boek lezen, film kijken. Heb ik geen buitenlucht nodig. Mijn gezin? Ik lust er wel pap van. Hoe meer tijd met elkaar hoe beter. We kunnen met elkaar lachen en dreigende conflicten worden uitgepraat.

Maar nu is het even klaar. Een dag gewerkt, met Bas de hele dag al conference callend naast me. De kinderen zijn eigenlijk pas voor de tweede keer in vier weken een beetje op tijd klaar met hun huiswerk en zitten een welverdiend potje te gamen, op de TV in de huiskamer. Maar ik wil er nu even niet bij in de buurt zijn. Ik trek sowieso computerspelletjes slecht, maar vandaag heb ik extra geen zin in.

Buiten is het koud, veel kouder dan de afgelopen dagen. Ik probeer een vriendin te bellen, waar het de afgelopen tijd niet zo goed mee gaat. Ze vertelde de vorige keer dat het tussen haar en haar man niet meer zo botert. Maar ze neemt niet op. Ik luister wat muziek, tijdens het lopen, maar na een tijdje zet ik het af. Ik steek mijn koude handen diep in mijn zakken en loop mijn inmiddels vertrouwde rondje. Als er tegenliggers komen op de stoep, loop ik een stukje de straat op of houd even in om ze te laten passeren.

Anderhalve meter afstand… ik ben toch zo benieuwd hoe we straks, later, over 10, 30, 50 jaar op deze periode terugkijken. Vertellen de kinderen dan aan hun kinderen dat we een hele lente en zomer binnen moesten blijven, vanwege een virus dat corona heette? Of weten we dan niet beter dan dat onderwijs digitaal en online wordt gegeven? Dat er ooit kantoren waren waar mensen naartoe gingen om achter een computer te zitten en met elkaar te praten, allemaal om 8 uur ‘s ochtends erheen en om 17 uur ‘s middags terug, waardoor iedereen in de file stond? En dat onze kleinkinderen dan giechelen: file? Wat een raar woord!

Over het algemeen ben ik een meester in struisvogelpolitiek. Ik kijk geen journaal, lees alleen de koppen in de NOS app en verdiep me weinig tot niet in de symptomen van corona, hoeveel besmettingen er wereldwijd zijn en voorspellingen over hoe lang welke maatregelen nog van kracht zullen zijn. We leven van dag tot dag en zolang wij en de mensen waar we van houden gezond zijn, is dat voor nu genoeg. In de veiligheid van ons eigen huis, is die bubbel o zo makkelijk vast te houden.

Buiten is dat lastiger. De mensen op de stoep die je al van verre ziet aftasten: ga jij opzij of ik? De maatregelen in de supermarkt. De metershoge aanplakbiljetten aan de lantarenpalen: ‘Hamsteren hoeft niet’, ‘Koop lokaal’ en ‘Steun de horeca’. 

Ik kom bij een kruispunt en zie een wat oudere, grijze man op de fiets de autorijbaan op rijden. Er komt een auto aan en ik schrik. Wat doet die man nou? Als ik wat lage struiken voorbij ben, zie ik het. Hij maant de auto te stoppen, omdat er een moedereend met wel acht babyeendjes oversteekt. De auto stopt. De mama eend rent naar de overkant en de babyeendjes sjezen als een gek achter haar aan. De man op de fiets bedankt de automobilist en ze rijden beide verder. Als ik wil doorlopen, zie ik het aanplakbiljet op de lantarenpaal een meter bij me vandaan: ‘Let een beetje op elkaar’. Het ontroert me meer dan ik wil toegeven. Je weet wel, als struisvogel enzo…