Vliegveldstress

schiphol-druk_0

“En waar is meneer B.?” De Schipholbeambte kijkt me over de rand van zijn leesbril onderzoekend aan. “Pardon?” “Meneer B. De vader van de kinderen? Waar is die?”

Het is vakantie. We gaan naar Amerika en Bas is twee dagen eerder al vertrokken, zodat hij alvast wat werkdagen under z’n belt kan krijgen, voordat wij aankomen. Hij had wel onze tickets geregeld, een tijdje terug en om kosten te besparen hadden we mijn ticket met airmiles betaald. Daarna waren de miles zo goed als op en voor de kinderen hebben we dus een gewoon ticket gekocht. Wat resulteerde in de volgende gang van zaken.

De avond voor vertrek. Ik besluit ons online in te checken. Volg keurig de door KLM gemailde link, check mezelf in en probeer de kinderen in te checken. Error: unaccompanied minors may not be checked in online. Please visit one of our service desks. Huh? Bel Bas. “Nou, dat is ook gek.” Probeert het ook online. Krijgt dezelfde foutmelding. “Tsja, dan moet je het toch morgen maar even bij de balie daar doen.”

De dag van vertrek. Ik kom (op de vrijdag voor de meivakantie, zonder dat we het wisten een van de drukste dagen van het jaar op Schiphol, het was zelfs op het nieuws…) aan bij de vertrekhal en probeer met de paspoorten bij zo’n terminal in te checken. Zelfde foutmelding… Ik trek een mevrouw in het blauw aan haar jasje om ons te helpen. Zij probeert het nog een keer met de paspoorten. Weer dezelfde foutmelding. Ze stuurt ons naar de incheckbalie voor mensen met honden en katten, buitensporig grote bagage en andere vreemdsoortige omstandigheden. “Oh, ik zie het al, dat komt omdat uw ticket met airmiles is geboekt en die van de kinderen niet. Nu denken alle systemen dat zij alleen reizen. Ik zal u alle drie inchecken.” “Fijn, bedankt. Zitten we dan wel naast elkaar?” “Nou, het is goed dat u het vraagt… Eens kijken, u zit op rij 43 en de kinderen…. Op rij 22. Dus nee, dat is niet naast elkaar.” Twee verschrikte gezichten kijken me aan. “Maarreh… daar is vast nog wel iets aan te doen, toch?” “Tsja, dat zult u dan even bij het boarden moeten vragen.”

Na ruim anderhalf uur wachten bij de bagagecontrole (met achter ons in de rij een peuter met een loopfiets. Met een bel. Die het echt héél goed doet.) komen we bij de bewuste Schipholbeambte aan. “Nou, mijn man is woensdag al vertrokken voor werk, en wij volgen hem nu om vakantie te gaan vieren.” Ik schenk hem mijn meest zelfverzekerde ‘kijk-ons-eens-in-vakantiestemming-zijn-glimlach’ en hoewel de bleke toetjes van de kinderen niet echt meehelpen (want: zitten we straks wel naast mamma en niet naast wildvreemde, dikke, snurkende mannen?), kom ik er volgens goed Nederlands gebruik zonder verdere vragen vanaf en mogen we doorlopen.

Volgende stop: het vraaggesprekje over het inpakken van de bagage. “Wie heeft uw koffers ingepakt? Heeft u uw bagage uit het oog verloren? Heeft u cadeautjes meegekregen?” En ik, met m’n stomme kop: “Nou, de kinderen hebben wel een pakketje van oma meegekregen.” Tot mijn afgrijzen zie ik op het hoofd van de goede man zich op verschillende plekken alarmbellen aftekenen. Zowel in zijn ogen, als op zijn voorhoofd, in zijn haargrens en zelfs op allebei zijn neusvleugels. Ik probeer het nog snel goed te maken met: “Ja, gewoon dropjes en M&M’s enzo hoor, en een tijdschrift. Het zit in doorzichtig folie, ik heb precies gezien wat erin zit.” Hij lijkt ook niet bijzonder veel zin in en tijd voor gedoe te hebben en vraagt aan de kinderen: “Klopt dat jongens? Hadden jullie het pakketje van oma al uitgepakt?” Vroeger had ik ze dan een onopvallend schopje tegen hun schenen gegeven, maar nu zijn ze gelukkig oud genoeg om aan te voelen dat je op zo’n vraag gewoon bevestigend moet knikken en blij moet glimlachen.

Bij de gate staat al ‘gate closing’ als we aankomen en dan moet ik het stoelendebacle nog regelen. Een hoop gehannes, een bijzonder vriendelijk echtpaar, een man die hetzelfde stoelnummer toebedeeld heeft gekregen als ik en een racistische oudere dame verder, zitten we geïnstalleerd, kunnen we op weg en denk ik dat het ergste achter de rug is.

Totdat we aan de overkant in Minneapolis door de paspoortcontrole moeten. Nu was daar altijd al een lange wachtrij voor, maar sinds Trump aan het bewind is, zijn ze nog veel minder happig op buitenlanders en kunnen we dus wéér anderhalf uur voetje voor voetje dichterbij de felbegeerde poortjes schuifelen, waarboven de Stars ’n Stripes toeziet op een streng doch rechtvaardig toelatingsbeleid. Anders dan zijn Nederlandse collega, is deze douanebeambte een stuk minder inschikkelijk. “Ma’am, where is your husband?” Ik zweer het, je zal gescheiden zijn. Of weduwe! Maar ik braaf weer m’n verhaal afsteken. “Do you have a document that states that you are allowed to travel with these children alone?” Come again? Ehm, het zijn toch ook míjn kinderen? Maar ik heb geleerd: don’t mess with Amerikaanse douanebeambten, die moet je vooral te vriend houden. Dus: “Oh, I’m so sorry, no I don’t…” Nou, dat het toch vooral een goed idee is om dat in de toekomst even zwart op wit van de vader te krijgen, want you never know, met child trafficking en al dat soort ongein tegenwoordig. En dan heb ik nog niet eens een hoofddoek. Niet respectloos bedoeld hoor, maar ik denk zomaar dat zo’n mevrouw nog meer het vuur aan de schenen gelegd zou worden.

Natuurlijk is het heel erg nodig dat vliegveldpersoneel hier alert op is en getraind wordt om verdachte situaties te signaleren. Achteraf gezien kan je dat allemaal beredeneren en is het echt niet erg om een paar extra vragen te beantwoorden en advies te krijgen hoe je in het vervolg kan voorkomen dat je je moet verantwoorden voor het op vakantie gaan met je eigen kinderen. Maar op het moment zelf, als je ook nog een vervolgvlucht moet halen… Leuk is anders.

We mogen verder en een zwaar vertraagde vlucht naar New York, een in het vliegtuig vergeten smartphone (door wie wil ik hier graag even in het midden laten…) en een vermiste koffer later, kunnen we eindelijk aan onze vakantie beginnen.

Zo moeizaam als de heenweg ging, zo vlotjes gaat de terugreis. Zo vlot zelfs, dat we op het vliegveld van Detroit een sprintje moeten trekken om de aansluitende vlucht naar Amsterdam te halen. En terwijl we daar, bepakt en bezakt, de handbagage op onwillige wieltjes achter ons aantrekkend en schoudertassen hotsend en botsend tegen m’n benen, langs de gates rennen, roept Daan naast me: “Hee mam, het is net of we in Home Alone zitten!” Ik schiet heel hard in de lach en denk bij mezelf: “Jongen, als Sandra Bullock beschikbaar is voor de hoofdrol, ga ik m’n eigen film regisseren.”

Advertenties

Spits

ROTTERDAM-BOTLEKTUNNEL-WATEROVERLAST

Nog één mailtje. Dat was alles wat ik nog hoefde te doen. Eén kort mailtje. En toen hing Outlook. En moest ik opnieuw opstarten. En ging ik een kwartier later dan anders weg van kantoor. Het verschil tussen half vijf en kwart voor vijf. Iedere forens in de Randstad, of eigenlijk, iedere inwoner van Nederland, weet wat dat betekent…

Ik pakte snel m’n spullen bij elkaar, nam de lift naar beneden, gooide alles in mijn auto en startte. Meteen werd ik verwelkomd door een doordringende piep en een brandend benzinelampje. Hee, dat was vanmorgen toch nog niet? Lekker dan. Even denken, zit er hier bij dat Alexandrium nou ook een benzinestation? Misschien waar al die autodealers zitten. Maar daar kan je de snelweg weer niet op. En het is al zo laat… Nog twee streepjes op de teller, nou ja, ik gok het er wel op tot Barendrecht.

Nog geen drie minuten op de A20 begon het al 70 en daarna 50 te knipperen. Volgens het filenieuws op de radio was het een normale avondspits, alleen in de regio Rotterdam was het bijzonder druk. Bij Ridderkerk lag een ladder op de weg (ik verzin het niet) en op de A29 waren 3 (!) ongelukken gebeurd. Heb ik dat…

Vlak voor de Brienenoordbrug verdween mijn laatste zwarte streepje op de benzineteller en begon mijn auto zenuwachtig ‘LOFUEL’ naar me te knipperen. Kut. Ik vervloekte mijn auto en bedacht dat je in Bas z’n auto een optie hebt, dat je precies kan zien hoeveel kilometer je nog kan rijden met de benzine die nog in je tank zit. Maar ja, Bas z’n auto heeft ook stoelverwarming, stuurverwarming, blue tooth, cruise control, verwarmde buitenspiegels, ingebouwde navigatie, volumeknoppen op z’n stuur, climat control, een elektrisch bedienbare achterklep en niet te vergeten centrale deurvergrendeling. Terwijl ik voor mijn auto het goedkoopste pakket heb gekozen, waar, zo kwam ik na aankoop van de auto achter, niet eens centrale deurvergrendeling op zit. En ik dus altijd de auto moet rondlopen om met de hand alle deuren dicht te doen, dan wel de kinderen moet instrueren om dit te doen. Anne zei: ‘Ik weet niet hoor, maar hadden jullie niet allebei een beetje een tussenmodel kunnen nemen? Want nu heeft pappa een heel luxe auto en op die van jou zit niks!’ Tsja kind, als je moeder ook een auto van de zaak had gehad óf een beetje beter had opgelet bij het uitzoeken, was dat een reuze goed idee geweest. Bas z’n auto zegt zelfs, als je teveel slingert: ‘Bestuurder vermoeid, neem een pauze.’ Het moet niet gekker worden.

Ondertussen durfde ik het er niet op de gokken en ging er bij Ridderkerk al af, mezelf een seconde later vervloekend, want blijkbaar moet je dan eerst nog een heel stuk provinciale weg rijden voordat je ook maar een beetje bewoonde wereld tegenkomt. Ik reed Bolnes binnen (altijd gedacht dat dat in Groningen lag…) en kon, inmiddels lichtelijk in paniek, geen benzinepomp vinden. Ik pakte m’n telefoon en vroeg aan Siri: ‘Find a gas station near me’. Ja, ik heb een in de VS gekochte iPhone, dus Siri praat Engels met mij en ik met haar. Dat kan je vast ook omzetten naar het Nederlands, maar dan ga ik haar missen, mijn Engelse Siri. Ik hou er zo’n lekker internationaal expatgevoel aan over dat ik in ieder geval aan mijn telefoon nog kan bewijzen dat ik zo leuk Engels kan, dus… Don’t judge me.

Nadat Siri mij naar de (vanzelfsprekend om de hoek gelegen) BP had geleid en ik weer met een gerust gevoel en volle tank de weg naar huis kon vervolgen, wilde ik niet nog later komen en stelde met Google Maps de navigatie op mijn telefoon in naar huis, om zo de snelweg weer terug te vinden. Ik probeerde mijn telefoon in de (door mijzelf bij de dealer bedongen) telefoonhouder te krijgen. Het is er zo eentje die met een zuignap aan je raam vastzit, maar eigenlijk past het niet. Ten eerste heb ik nogal een groot hoesje, dus de telefoon moet daar eerst uit, en ten tweede heb ik zo’n kleine auto, dat die telefoon eigenlijk niet tussen het raam en het dashboard past. Met veel gevloek en getier en nadat mijn telefoon drie keer als een katapult uit de houder was gelanceerd en op de grond was gevallen, legde ik hem maar op de stoel naast me neer en kon ik eindelijk richting huis.

Mijn telefoon zag er de humor wel van in, want die begon spontaan de navigatie ook in het Engels te doen, waardoor ik na een minuut of vijf de A29 op moest ‘mergen, toward Burgen ap Zoem’. Ik pieste haast in m’n broek. En de volgende dag, toen ik mijn auto weer startte, kreeg ik een wel hele rare kilometerstand te zien. Wat blijkt: er zit wél een optie op om te zien hoeveel kilometer je nog kan rijden met je tank. Dat had ik in mijn Calimero moment even over het hoofd gezien. Zie je wel! Het komt wel goed, tussen mijn auto en mij.