Als het maar droog is

the-rain-and-the-sun“Mam! We hebben lekkage! Er loopt water uit de lamp in de bijkeuken!” Het is op een donderdag in de zomervakantie, tien uur ’s ochtends en ik zit op m’n werk. Anne belt op m’n mobiel en klinkt behoorlijk in paniek. En hoewel water uit de lamp inderdaad aanleiding mag zijn tot een lichte vorm van paniek, begrijp ik het niet zo goed, want Bas is thuis met de kinderen. “Oh jeetje zeg, dat klinkt niet best. Maarreh, pappa is toch thuis?” “Ja, natuurlijk, maar het lekt écht heel hard hoor, het loopt over de drempel zó de hal in! Wacht, ik stuur even een filmpje!” Hangt op. Natuurlijk, puber in wording, dan wil je als ouder paniek in de stem nog wel eens verwarren met pure sensatiezucht.

Naast dat het donderdag is, is het ook twee dagen voordat we op vakantie gaan. Al-tijd fijn, zo’n akkefietje, als je ook bezig bent met inpakken, laatste boodschappen, schoonmaken, alternatief onderdak voor de huisdieren regelen en orchideeën naar gezellig kletsende buurvrouwen brengen. Waardoor we op de dag voor vertrek nog de loodgieter over de vloer krijgen (of liever gezegd: over het dak) en de schade-expert van de verzekering. Gelukkig had Bas de dag ervoor alles, zo goed als en zo kwaad als het ging, droog gekregen, alles van waarde op een hoger niveau gezet en alles met de elektriciteit geregeld (gedoe met aardlekschakelaars en onbruikbare groepen… huuh…), dus daar heb ik geen werk meer aan. De buurvrouw belooft om bij harde regen te gaan kijken of het nog steeds lekt, ik geef haar het nummer van de loodgieter, just in case, en dan gaan we toch maar op vakantie. Naar Engeland, dit jaar.

Ook in Engeland blijft het de twee weken dat we daar zijn, niet alle dragen droog. Dat weet je van tevoren natuurlijk, als je naar Engeland gaat, maar we gingen naar het ‘tropische deel’ van Engeland, Cornwall en South Devon. Van verschillende kanten was mij al verzekerd dat het daar ‘echt veel minder’ regent dan in de rest van Engeland. Nou weet ik niet wat voor noodweer ze dan in de rest van Engeland hebben gehad, maar ook op onze in de tropen gelegen camping krijgen we de nodige watergordijnen en windhozen over ons heen.

De eerste dagen gaat het nog goed en op de dag dat het mooiste weer voorspeld wordt, gaan we naar een zwembadencomplex aan de kust, met allemaal verschillende glijbanen. De zon schijnt, het is warm, een fantastische dag. In de middag ziet de lucht er af en toe dreigend uit, maar steeds wijken de wolken af en we houden het droog. Geen moment komt het in me op dat het 30 kilometer verderop misschien wel heel hard zou kunnen regenen, totdat we ’s avonds thuiskomen en blijkt dat we twee zijflappen van de tent open hebben laten staan… Een hele tas met kleren is doorweekt, de elektrische kachel durven we voorlopig even niet aan te zetten door de hoeveelheid water die eruit komt lopen en wéér kunnen we dweilen…

Na een paar dagen regen vraagt de Britse buurman van een paar tenten verderop (leuke bos blonde krullen, precies goed stoppelbaardje, vrolijke ogen… lijkt eigenlijk helemaal niet Brits, meer Zuid-Europees… maar ik dwaal af): “So are you enjoying our real British summer? I’m telling you, we’ve had the best summer in years, right up until the day we arrived here!’ Hebben wij dat. Gelukkig zitten er ook nog prima droge dagen tussen, waarbij het weliswaar jasje-aan-jasje-uit blijft, maar we kunnen heel mooi de omgeving verkennen en van het prachtige landschap genieten.

Wel valt het ons op dat die ene Britse buurman de enige campinggenoot is, die een beetje gezellig doet. Er zijn geen andere Nederlanders op de camping (of überhaupt andere Europeanen), alleen maar Britten. En man, wat zijn die afstandelijk zeg! Er kan nog geen gedagje vanaf als ze voorbij lopen, de kinderen spelen alleen maar met elkaar, niemand maakt een praatje bij het afwasgebouw… Ik hoef heus niet elke avond bij iemand anders te zitten, maar zo af en toe even ervaringen uitwisselingen of gewoon ‘waar kom je vandaan’, dat is toch een gedeelte van de charme van kamperen. Ook het personeel in pubs en winkels vinden we niet bijzonder (klant)vriendelijk. Nu zijn wij natuurlijk die over the top joviale Amerikanen gewend, maar ik had eigenlijk van die Britten wel een soort John Cleese-achtige zelfspothumor verwacht. Het blijkt dat hij niet voor niets de draak steekt met de inborst van zijn landgenoten.

Toch komen we uiteindelijk nog een Brit met humor tegen. In een souvernirwinkeltje werkt een jongen van begin twintig, die geïnteresseerd vraagt waar we vandaan komen en hoe we het hier vinden. Om hem niet voor het hoofd te stoten, klets ik er een beetje omheen en zeg dat de camping mooi is en de omgeving prachtig. Maar omdat Anne een hoodie wil laten bedrukken en het uitzoeken van de letters een eeuwigheid duurt, blijft hij maar doorvragen over of we het naar ons zin hebben. Ja eh, als je het dan écht wil weten, dus ik zeg: “Well, I do have to say, we’ve been to a lot of countries in and outside of Europe, but the people here are… how do I say this… they kind of keep to themselves, don’t they?” De jongen knikt vrolijk en vol herkenning en zegt: “I know! I’ve just been on holiday with my girlfriend to Mallorca and people are so different on the mainland. They are much more open and welcoming!” Hè gelukkig, ik heb hem niet beledigd. Dus ik voeg er nog aan toe: “It’s funny with the guests at the campground, it’s like they really don’t want to talk to you.”

Hij lacht en zegt: “Yes, we tend to get a bit moody. I think it’s the weather.”

Als we na nog twee dagen regen bij de eerste zonnestralen weer uit onze tenten tevoorschijn komen, zegt de vriendelijke camping-Brit: “Right, that’s it, we’re going home. Too much rain for us!” En ik denk: meen je dat nou? Houden we het gewoon langer uit in de regen dan de locals? Ik denk toch dat hij tweede generatie Griek was.

Advertenties

Vliegveldstress

schiphol-druk_0

“En waar is meneer B.?” De Schipholbeambte kijkt me over de rand van zijn leesbril onderzoekend aan. “Pardon?” “Meneer B. De vader van de kinderen? Waar is die?”

Het is vakantie. We gaan naar Amerika en Bas is twee dagen eerder al vertrokken, zodat hij alvast wat werkdagen under z’n belt kan krijgen, voordat wij aankomen. Hij had wel onze tickets geregeld, een tijdje terug en om kosten te besparen hadden we mijn ticket met airmiles betaald. Daarna waren de miles zo goed als op en voor de kinderen hebben we dus een gewoon ticket gekocht. Wat resulteerde in de volgende gang van zaken.

De avond voor vertrek. Ik besluit ons online in te checken. Volg keurig de door KLM gemailde link, check mezelf in en probeer de kinderen in te checken. Error: unaccompanied minors may not be checked in online. Please visit one of our service desks. Huh? Bel Bas. “Nou, dat is ook gek.” Probeert het ook online. Krijgt dezelfde foutmelding. “Tsja, dan moet je het toch morgen maar even bij de balie daar doen.”

De dag van vertrek. Ik kom (op de vrijdag voor de meivakantie, zonder dat we het wisten een van de drukste dagen van het jaar op Schiphol, het was zelfs op het nieuws…) aan bij de vertrekhal en probeer met de paspoorten bij zo’n terminal in te checken. Zelfde foutmelding… Ik trek een mevrouw in het blauw aan haar jasje om ons te helpen. Zij probeert het nog een keer met de paspoorten. Weer dezelfde foutmelding. Ze stuurt ons naar de incheckbalie voor mensen met honden en katten, buitensporig grote bagage en andere vreemdsoortige omstandigheden. “Oh, ik zie het al, dat komt omdat uw ticket met airmiles is geboekt en die van de kinderen niet. Nu denken alle systemen dat zij alleen reizen. Ik zal u alle drie inchecken.” “Fijn, bedankt. Zitten we dan wel naast elkaar?” “Nou, het is goed dat u het vraagt… Eens kijken, u zit op rij 43 en de kinderen…. Op rij 22. Dus nee, dat is niet naast elkaar.” Twee verschrikte gezichten kijken me aan. “Maarreh… daar is vast nog wel iets aan te doen, toch?” “Tsja, dat zult u dan even bij het boarden moeten vragen.”

Na ruim anderhalf uur wachten bij de bagagecontrole (met achter ons in de rij een peuter met een loopfiets. Met een bel. Die het echt héél goed doet.) komen we bij de bewuste Schipholbeambte aan. “Nou, mijn man is woensdag al vertrokken voor werk, en wij volgen hem nu om vakantie te gaan vieren.” Ik schenk hem mijn meest zelfverzekerde ‘kijk-ons-eens-in-vakantiestemming-zijn-glimlach’ en hoewel de bleke toetjes van de kinderen niet echt meehelpen (want: zitten we straks wel naast mamma en niet naast wildvreemde, dikke, snurkende mannen?), kom ik er volgens goed Nederlands gebruik zonder verdere vragen vanaf en mogen we doorlopen.

Volgende stop: het vraaggesprekje over het inpakken van de bagage. “Wie heeft uw koffers ingepakt? Heeft u uw bagage uit het oog verloren? Heeft u cadeautjes meegekregen?” En ik, met m’n stomme kop: “Nou, de kinderen hebben wel een pakketje van oma meegekregen.” Tot mijn afgrijzen zie ik op het hoofd van de goede man zich op verschillende plekken alarmbellen aftekenen. Zowel in zijn ogen, als op zijn voorhoofd, in zijn haargrens en zelfs op allebei zijn neusvleugels. Ik probeer het nog snel goed te maken met: “Ja, gewoon dropjes en M&M’s enzo hoor, en een tijdschrift. Het zit in doorzichtig folie, ik heb precies gezien wat erin zit.” Hij lijkt ook niet bijzonder veel zin in en tijd voor gedoe te hebben en vraagt aan de kinderen: “Klopt dat jongens? Hadden jullie het pakketje van oma al uitgepakt?” Vroeger had ik ze dan een onopvallend schopje tegen hun schenen gegeven, maar nu zijn ze gelukkig oud genoeg om aan te voelen dat je op zo’n vraag gewoon bevestigend moet knikken en blij moet glimlachen.

Bij de gate staat al ‘gate closing’ als we aankomen en dan moet ik het stoelendebacle nog regelen. Een hoop gehannes, een bijzonder vriendelijk echtpaar, een man die hetzelfde stoelnummer toebedeeld heeft gekregen als ik en een racistische oudere dame verder, zitten we geïnstalleerd, kunnen we op weg en denk ik dat het ergste achter de rug is.

Totdat we aan de overkant in Minneapolis door de paspoortcontrole moeten. Nu was daar altijd al een lange wachtrij voor, maar sinds Trump aan het bewind is, zijn ze nog veel minder happig op buitenlanders en kunnen we dus wéér anderhalf uur voetje voor voetje dichterbij de felbegeerde poortjes schuifelen, waarboven de Stars ’n Stripes toeziet op een streng doch rechtvaardig toelatingsbeleid. Anders dan zijn Nederlandse collega, is deze douanebeambte een stuk minder inschikkelijk. “Ma’am, where is your husband?” Ik zweer het, je zal gescheiden zijn. Of weduwe! Maar ik braaf weer m’n verhaal afsteken. “Do you have a document that states that you are allowed to travel with these children alone?” Come again? Ehm, het zijn toch ook míjn kinderen? Maar ik heb geleerd: don’t mess with Amerikaanse douanebeambten, die moet je vooral te vriend houden. Dus: “Oh, I’m so sorry, no I don’t…” Nou, dat het toch vooral een goed idee is om dat in de toekomst even zwart op wit van de vader te krijgen, want you never know, met child trafficking en al dat soort ongein tegenwoordig. En dan heb ik nog niet eens een hoofddoek. Niet respectloos bedoeld hoor, maar ik denk zomaar dat zo’n mevrouw nog meer het vuur aan de schenen gelegd zou worden.

Natuurlijk is het heel erg nodig dat vliegveldpersoneel hier alert op is en getraind wordt om verdachte situaties te signaleren. Achteraf gezien kan je dat allemaal beredeneren en is het echt niet erg om een paar extra vragen te beantwoorden en advies te krijgen hoe je in het vervolg kan voorkomen dat je je moet verantwoorden voor het op vakantie gaan met je eigen kinderen. Maar op het moment zelf, als je ook nog een vervolgvlucht moet halen… Leuk is anders.

We mogen verder en een zwaar vertraagde vlucht naar New York, een in het vliegtuig vergeten smartphone (door wie wil ik hier graag even in het midden laten…) en een vermiste koffer later, kunnen we eindelijk aan onze vakantie beginnen.

Zo moeizaam als de heenweg ging, zo vlotjes gaat de terugreis. Zo vlot zelfs, dat we op het vliegveld van Detroit een sprintje moeten trekken om de aansluitende vlucht naar Amsterdam te halen. En terwijl we daar, bepakt en bezakt, de handbagage op onwillige wieltjes achter ons aantrekkend en schoudertassen hotsend en botsend tegen m’n benen, langs de gates rennen, roept Daan naast me: “Hee mam, het is net of we in Home Alone zitten!” Ik schiet heel hard in de lach en denk bij mezelf: “Jongen, als Sandra Bullock beschikbaar is voor de hoofdrol, ga ik m’n eigen film regisseren.”

Leeg nest

empty-nest-ftrMet enige regelmaat verzuchten Bas en ik tegen elkaar: ‘Fijn hè, dat ze al zoveel zelf kunnen?’. Zeker op zo’n camping zijn de verschillen goed zichtbaar tussen ouders met kinderen in de luiers en die waarvan de kinderen in de onderhoudsluwe fase zijn beland. Waar de eerste categorie ouders verhit de heuvels op en af hun peuters achterna zitten, verplicht mee het springkussen op en het zwembad in moeten en ’s avonds in het douchegebouw besluiten de volgende keer toch echt die herriestoppers mee te nemen, zie je de tweede categorie relaxed met een versnapering bij de tent / caravan / het zwembad zitten, terwijl de kinderen met dezelfde dag gemaakte vriendjes zichzelf vermaken en alleen af en toe een handje chips komen halen of om een ijsje komen vragen.

Toen wij nog in de eerste categorie vielen, keek ik altijd verlangend naar de ouders met grotere kinderen. Wat heerlijk leek me dat, uren ongestoord een boek te kunnen lezen! ’s Avonds lekker lang over de marktjes te kunnen dwalen zonder met bedtijd rekening te hoeven houden. Tot 9 uur uitslapen in plaats van om half 7 met een huilende baby de hele camping wakker maken. Maar nu moet ik toegeven dat ik het eigenlijk wel een beetje mis. Ik heb last van vervroegd legenestsyndroom.

Na het ontbijt gaat Daan de hele ochtend voetballen en Anne naar de knutselclub. Zogenaamd om de kleinere kinderen te helpen, maar ondertussen hebben we al een dromenvanger, een lampion en een bloem van propjes crêpe papier in de tent hangen. Met moeite krijgen we ze aan de lunchtafel, waarna er zo snel mogelijk gezwommen moet worden. Voor de vorm gaan we dan nog mee en met een beetje geluk komt Daan nog wel eens met een handdoek omgeslagen lekker bij me zitten op het zwembadbedje, maar verder komen we toch vooral in beeld als er behoefte is aan catering. Ik heb al drie boeken uit.

We hebben afgesproken dat de kinderen de ontbijt- en lunchafwas doen en Bas en ik die van het avondeten, dus ook onder het afwassen zien we de kinderen niet. Wél horen we ze vanaf het sanitairgebouw uit volle borst ‘It’s the hard knock life’ zingen onder de afwas, maar dan zeggen we tegen voorbijgangers altijd dat het Amerikaanse kinderen zijn die wij niet kennen.

Toen Bas en ik een keer stonden af te wassen, stond er een Nederlandse man naast ons en rondom zijn benen drentelde een allerschattigst meisje van een jaar of vier. ‘Pappa, kijk eens, hoe mooi ik kan dansen?’ Pappa stond net te zwoegen op het barbequerooster en had even geen tijd. ‘Pappa? Paaapppaaaa!!! Kijk nou even! PAPPA!!’ De pappa keek en ze maakte een mooie draai, waarbij haar zomerjurkje meezwierde in de warme zomerlucht. ‘Goed hoor’, zei de pappa, waarna hij zich weer over het rooster boog. Ik wilde zijn arm aanraken en tegen hem zeggen: ‘Laat die afwas nou even en dans met je dochter. Nu wil ze nog.’ Maar ik deed het niet.

Toen ik bij de tent het gasstel had schoongemaakt, liep ik nog even terug om het sopwater weg te gooien. Terwijl ik de vaatdoek stond uit te spoelen, hoorde ik een kind hartverscheurend huilen. Nu is dat niet ongebruikelijk vanuit het douchegebouw van een camping, maar meestal hoor je dan een vader of moeder iets terugzeggen in de trant van: ‘Nou, kom op, even de shampoo uitspoelen en dan ben je klaar’, of ‘Stoot je nou zo hard je hoofd tegen de kraan?’. Maar hier hoorde ik geen ouderlijke susgeluiden, alleen maar huilen. Ik besloot even poolshoogte te gaan nemen.

In de deuropening van een van de wc’s stond een poedelnaakt jongetje van niet ouder dan drie. Hij was rood aangelopen van verdriet en de tranen hadden witte sporen over zijn groezelige wangetjes getrokken. ‘Wat is er aan de hand?’, vroeg ik. Verschrikt keek hij me aan en ik dacht: misschien is hij wel Frans, dus ik voegde er nog aan toe: ‘Ça va?’.

‘Het lukt me niet’, zei hij met een benauwd stemmetje. ‘Wat lukt niet? Naar de wc gaan?’ ‘Nee, om mijn bi-hi-hillen af te vegen’, huilde hij verder. ‘En mijn moe-hoe-hoeder zit in de caravan en die hoort mij niet!’

‘Zal ik je anders even helpen?’ Uit ervaring weet ik dat niet alle kinderen het goed vinden als vreemde moeders hun billen afvegen en ik snap dat. Maar dit jongetje had, getuige de zon die doorbrak op zijn gezicht, de hele dag nog geen beter nieuws gehad en zei: ‘Ja.’ ‘Oké, nou, ga maar weer even zitten dan, op de wc, dan kan ik er beter bij.’ En dat deed hij. Ik veegde die kleine billetjes schoon, wachtte tot hij zijn broek had opgehesen, hielp hem met handen wassen en samen liepen we het gebouw uit.

‘Ik moet daarheen mefrouw.’
‘Oké, mijn tent staat daar, dus ik ga daarheen, goed?’
‘Oké.’
‘Doei.’
‘Doei!’

Hij zwaaide. Ik heb me in tijden niet zo nuttig gevoeld.

Humans of America

NM_124_and_US_66_WB_near_Budville_NM

Ik vind het nu al leuk, onze road trip. Aan de verhuizing wil ik niet teveel woorden vuil maken. Verhuizen is stom. Het is als de avond voordat je op vakantie gaat, maar die stress over vier weken uitgesmeerd. Tel daar nog bij op alle einde schooljaar activiteiten, afscheid nemen van drie lieve collega’s op het werk, spullen verkopen en mensen die op het laatst toch niet op komen dagen voor de koop, een afscheidsfeestje thuis voor 60 man, de kinderen die hun beste vriendje en vriendinnetje gedag moesten zeggen, mijn beste vriendin hier huilend gedag zeggen, een verhuisploeg die elke stap teveel lijkt en doodleuk vraagt of ik even Chinees kan gaan halen voor de lunch en je begrijpt dat het weer kantje boord was, qua geestelijke gezondheid. Maar nu zijn onze spullen op weg naar Nederland en zijn wij op weg naar het zuiden van de VS. Een road trip van drieëneenhalve week die eindigt in Miami, vanwaar we naar Schiphol vliegen en hopelijk tegelijk met onze meubels thuiskomen.

We zijn een dag op weg, op vijf uur rijden van Waldwick en allemachtig, wat hebben we de afgelopen jaren in een luchtbel geleefd! Een wereld van mooie mensen, slanke, afgetrainde lijven, yoga studio’s, Let’s Yo! bars, salade restaurants, smoothie drive throughs, gepolijste tenen, gekapte hoofden en perfecte gebitten. Je zou haast denken dat de gewone wereld er ook zo uitziet. Maar de gewone wereld ziet eruit zoals in Luray, Virginia.

Toen we aankwamen op de camping, zag ik bij de tent naast die van ons een mevrouw die zat te roken. Ik keek nog een keer goed, maar echt, ze rookte een sigaret. Een sigaret! Die heb ik al jaaaaren niet meer gezien, mensen die roken. Ik vond het wel iets ouderwets gezelligs hebben. We maakten een praatje, ze had haar drie kleinzoons meegenomen voor het weekend. Dinsdag moest ze weer werken. Ze lachte verontschuldigend, waarbij ze probeerde haar vergeelde tanden te verbergen: ‘I work in the deli section at Walmart’.

De volgende dag gingen we een wandeling maken om een meer. Vanaf de parkeerplaats zagen de kinderen een grote opblaasglijbaan staan. ‘Kijk! Mogen we daar heen?’ Ik zei nog: ‘Dat is misschien wel voor een feestje hoor, eerst even kijken’ en ja hoor, met afgezakte schouders kwamen ze weer onze kant op. Totdat een dame ze terugriep. ‘We are celebratin’ my granddaughter’s birthday, but y’all are more than welcome to play on the slide if you want to?’ Dat lieten ze zich geen twee keer zeggen en Bas en ik gingen bij de verjaardagsvisite zitten. De man naast me leek qua leeftijd bij de oma van de jarige te passen, dus ik vroeg op goed geluk: ‘Is it your granddaughter’s birthday?’ ‘No, that’s my son over there, he’s nine. I had him with my third wife.’ Daar doe je toch een moord voor, voor zo’n openingszin?

De man, die wel wat weg had van Paul Sr. uit de reality serie ‘Orange County Choppers’, vertelde in de tien minuten die volgden, dat hij de verhuurder was van de glijbaan. Hij had 31 jaar bij het postkantoor gewerkt, was nu gepensioneerd en was dit als ‘side business’ begonnen. Trots als een pauw, want er was niemand anders met zo’n bedrijf en al helemaal niet met 13 verschillende glijbanen. ‘The only cat in town!’ Hij liep zelf inmiddels met een rollator, maar zijn zoon (uit zijn eerste huwelijk) hielp hem met het zware werk. Hij was in het gewone leven vuilnisman, woog ‘280 pounds’ en had vanmorgen ’11 tons of garbage’ opgehaald. De imposante zoon in kwestie zat naast zijn vader, had een vervaarlijk verwilderde blik in zijn ogen en zei: ‘The best thing about working for my dad is: I can be late and still be on time!’

En terwijl de kinderen ondertussen flesjes water mochten pakken (omdat wij natuurlijk weer zonder water én insectenspray van huis waren gegaan…), kreeg ik spontaan zin om een eigen Humans of New York pagina op te richten. Humans of America…. Ik wil dat deze vakantie nog heel lang duurt.

Pakezel

ski-2

En wéér ben ik erin getrapt. Hoe komt het toch dat ik me steeds weer laat omkletsen? Ik vind wintersport niet leuk. Dat weet ik eigenlijk al jaren. Dertien jaar om precies te zijn, sinds onze eerste skivakantie. Het enige leuke aan die vakantie was zijn huwelijksaanzoek, maar dat skiën… Wat een jammerlijke vergissing is dat zeg.

Het begint al met het gedoe eromheen. Eerst moet je in die wanstaltige schoenen, waar je dan onvermijdelijk eerst nog een heel stuk op moet klunen naar de piste, zodat je al met het zweet in je bilnaad de dag kunt beginnen. Dan die ski’s zelf aan, die, in ieder geval bij mij, áltijd scheef over elkaar gaan en dan wegglijden in een omgekeerde pizzapunt, zodat je achillespezen tot niet eerder bereikte lengtes worden uitgerekt en je hoe dan ook binnen tien seconden languit in de sneeuw ligt, terwijl er peuters van drie turven hoog met twee vingers in hun neus lachend aan je voorbijrazen.

Mijn eerste skiklasje was bij zo’n typische bruinverbrande skifransoos, die zo slecht Engels sprak dat er geen touw aan vast te knopen was. Het enige wat wel te verstaan was, zei hij dan ook maar heel vaak: I go down the mountain, you follow me!! En daar ging ‘ie, zonder enige verdere instructie. Merde!

Daarna ben ik, op aandringen van liefhebbende wederhelft, nog een paar keer naar Snowworld geweest om het te proberen. Daar ging het wel aardig en dus gingen we een paar jaar geleden nog een keer op wintersport. Ik toch ook maar weer op les, in een laatste inspanning om het leuk te gaan vinden. Want ik snap ook wel dat het samen gezelliger is dan alleen en ik ben niet graag een spelbreker. Wel vier dagen hield ik het deze keer vol. Weer bij zo’n Franse gladjakker met gebleekte tanden die, ondanks dat je wéét dat je er zelden sekslozer hebt uitgezien met je vormeloze skibroek, muts uit het jaar nul en stuntelige pogingen om in ieder geval tijdens de instructie rechtop te blijven staan, tóch zijn hele versiertrukendoos op je loslaat. Zouden die gasten dat bij de opleiding meekrijgen? Ik moet dan altijd denken aan die scène uit Dirty Dancing als de obers bij Kellerman verteld wordt dat ze het de dames naar de zin moeten maken. Even the dogs.

Maar goed, ook na die vier dagen kwam ik weer tot dezelfde conclusie. Ik vind skiën niet leuk. En ik heb dan ook ter plekke besloten om het nooit meer te doen. Het is teveel werk om het een vakantie te kunnen noemen. Vakantie is margarita’s nippen onder een parasol met uitzicht op uit de zee springende dolfijnen. Niet kindervoetjes in te nauwe skischoenen persen terwijl het desbetreffende kind met zijn volle gewicht over je heen gaat hangen om zijn evenwicht niet te verliezen, zodat je de dag alsnog met het zweet in je bilnaad begint.

Waarom ik deze week dan toch als een eersteklas pakezel door de sneeuw liep te ploeteren? Omdat je mijn echtgenoot met een missie nooit moet onderschatten. ‘Dat is toch leuk voor de kinderen schat, wintersport. Dan kan jij lekker in het huisje blijven en als je dan zorgt dat ’s middags de lunch klaar staat, zijn wij tevreden.’ Huh huh. In wat voor parallel universum dacht ik eigenlijk dat het ook echt zo zou gaan? De eerste kink in de kabel was al dat Daan na de drie lessen die hij thuis had genomen zei: ik wil nooit meer skiën. Een kind naar m’n hart, ware het niet, dat de vakantie al geboekt was, en dus zag ik mijn relaxte ochtend me-time in het chalet met een goed boek, verruild voor eindeloze potjes Battle Ship, Memory en Uno. Ten tweede bleek onze pittoreske B&B in de verste verte niet aan de piste te liggen en moesten we dus toch met z’n allen in de auto naar de berg, waar we alsnog een pokkeneind moesten lopen om bij de liften en de skischool aan te komen.

Dus daar liep ik dan, met een rugzak (fles water, thermoskan warme chocomelk, bekertjes, koekjes, appels, pakjes zakdoeken, lippencreme, handcreme en nee, géén EHBO doos), een boodschappentas in de ene (spelletjes, doeboeken, leesboeken, sticker mozaïek) en een sporttas (twee skihelmen, Daan z’n skischoenen (stel dat hij toch ineens zin krijgt), extra truien, reservehandschoenen) in de andere hand. Terwijl de sneeuw in m’n gezicht joeg en de kinderen al jengelend achter ons aan klosten, ‘of het nog ver was’ en ‘kunnen jullie ons niet een stukje dragen?’ Serieus.

Wat oneerlijk dan ook dat Daan zich halverwege de week ineens bedacht (‘Ik wil toch skiën pappa!’), ik alsnog aan het lezen van mijn boek toekwam, ze met van die verraderlijk schattige rode appelwangetjes en glinsterende ogen naar beneden kwamen zeilen en ik schoorvoetend moest toegeven dat zo’n besneeuwd berggebied met strak blauwe lucht in de zon best mooi is. Verdomme… Laat mij nou gewoon lekker zwelgen in deze sneeuwmisère. Nu willen ze natuurlijk volgend jaar weer…