Spinnenkop met spruitjes

‘Dat gaan we echt nooit halen hoor. Wát een slecht idee dit. Ik ga straks gewoon hoor.’ Anne zit briesend aan het tafeltje bij Vapiano. We wachten op onze lunch en mogelijk missen we straks de reclame en e-ven-tu-eel de trailers die voorafgaan aan de film waar we kaartjes voor hebben. 

Het is herfstvakantie. We zijn met z’n vieren in de nieuwe Westfield Mall of the Netherlands in Leidschendam. Leek me leuk. Als een soort uitje, in de vakantie. Maar of zo’n uitje leuk wordt, is de laatste tijd afhankelijk van een veelheid aan factoren, niet in het minst de richting waarin de pet van ons kroost staat. En laten we eerlijk zijn, een uitje naar een winkelcentrum is bij ons thuis sowieso al een mijnenveld te noemen, met Daan die van álle winkels doodongelukkig wordt, behalve de Mediamarkt en de Lego store en met Bas, die zich veel laat welgevallen, zolang er maar wel op normale tijden geluncht wordt. 

Met dat in het achterhoofd, had ik in de auto al gezegd:
– Jongens, we gaan wel om 12 uur lunchen, anders wordt pappa stukken minder gezellig. De film begint om 1 uur, dus dat moeten we kunnen halen.
-Jaaaa, maar als we dan uit de bios komen is het veel drukker in al die winkels, dat is echt niet handig. 
– Dat kan wel zo zijn, maar anders vallen we om, halverwege de film.

Anne gaat dus al mokkend aan tafel, moppert op ons omdat we te lang doen over bestellen, pakt om de twee minuten haar telefoon om via SnapChat haar vriendinnen op de hoogte te houden van haar stomvervelende familie en smoort elke goedbedoelde poging een gezellig gesprek te starten in de kiem met een grauw of een snauw.

Met de pasta en pizza nog halverwege onze slokdarm, komen we om 1 uur aanrennen bij de bioscoop. Al voor de controle staat er een bordje: houd uw QR-code gereed. Oh ja, dat moet natuurlijk ook nog. Bas, Anne en ik pakken onze telefoon. Daan tast in zijn broekzakken en kijkt me dan aan.

– Waar is je telefoon?
– In de auto…
– Nee joh!
– Ja, jíj zei dat ik hem wel in de auto kon laten liggen!

Anne rolt met haar ogen: ‘Sjezus Daan, je moet hem gewoon ALTIJD bij je hebben. Dit meen je niet! Nou komen we helemaal te laat! Echt hoor, als ik het begin mis… Ik ga gewoon! Sjezus….’

Inmiddels zijn we aan de beurt bij de ticketcontrole.

– Zo, mag ik eerst uw QR-codes?
– Ja, alleen vanaf welke leeftijd is dat verplicht? Want die van hem ligt in de auto, maar hij is 13.
– Oh, nou, het is vanaf 14 verplicht, dus dat komt mooi uit.

De jongen scant onze QR-codes en gaat dan over tot het scannen van de tickets. 

– Helaas, Venom is 16 jaar en ouder. Dat betekent dat ik hem (wijst op Daan) niet binnen mag laten. 

Ik denk dat Anne een rolberoerte krijgt. Ze zucht en stampt en kan zich nog net inhouden, maar het liefst zou ze iedereen om zich heen opzij duwen en over het poortje heen springen.

– Oh jeetje, tsja, daar hadden we niet bij stil gestaan… en nu?
– Ik denk dat u dat het beste even met mijn leidinggevende kan bespreken, die zit daar.

We rennen naar het hokje van de leidinggevende en bespreken ondertussen de opties, onderweg wild zoekend naar de tijden van de andere films die draaien.

– Oh kijk, om kwart over 1 draait James Bond. Dan moet Daan daar maar heen.
– Jaaa, die hoef ik helemaal niet te zien. Ik wil ook naar Venom!
– Ja, dat gaat nou eenmaal niet. Dan ga ik wel met jou naar James Bond en dan gaan pappa en Anne naar Venom.

Daan heeft geen keus, maar baalt als een stekker. De dienstdoende trouble shooter van de bios is een nog jonge vent, die geen enkele haast heeft. Hij staat ons netjes te woord, maar neemt uitgebreid de tijd om ons mee te nemen in toeslagen voor 3D, Atmos surround sound, het feit dat we in de grootste zaal van deze bioscoop terecht komen en daardoor de achterste stoelen niet direct de beste zijn en de ruime keuze aan 3D brillen. Anne staat in mijn nek te hijgen, ik hoor maar de helft van wat de goede man zegt en tik uiteindelijk ruim 15 euro extra af.

Zonder ons nog een blik waardig te keuren, beent ze langs de ticketjongen, op weg naar de zaal waar Venom draait, met Bas in haar kielzog. ‘Veel plezier jongens!’, roep ik nog. Een geïrriteerd gezwaai is mijn deel. 

Ik weet het, het hoort erbij. Tieners willen afstand van hun ouders. Zelfstandigheid, zelf dingen ontdekken, vrienden om zich heen. I know, I know… En vaak lukt het ook om daar prima mee om te gaan. Maar op dagen als deze ken ik bijna m’n eigen kind niet meer terug.

Een paar dagen later ben ik op haar kamer, vlak voordat ze naar bed gaat. Ze gaat in bed liggen en ik blijf nog even naast haar bed zitten. Ze doet een eeuwigheid over haar dekbed goed trekken en ik lach: ‘Tsjonge, jonge, ben je al klaar?’. ‘Nee’, zegt ze, ‘hij ligt nog niet goed’. In mijn hoofd schiet het liedje van Sesamstraat, van de zes heksjes bij elkaar, die een heel vreemd soepje klaar maken. En ik zeg: ‘Die soep is nog niet goed, we doen er nog wat bij!’. Ze lacht en zegt samenzweerderig: ‘Spinnenkop met spruitjes, krekels met kandij, die soep is nog niet goed, we doen er nog wat bij!’

En even is ze daar weer, glinstert ze onder de oppervlakte. Mijn kleine meisje. Een paar seconden van weemoed pakken me vast. Maar dan zie ik ook die hele leuke, fijne jonge vrouw die ze wordt. En als daar af en toe een spinnenkopbui voor op de koop toe genomen moet worden, dan heb ik dat er wel voor over. 

The return of de pakezel

‘Als jij nou eens even onderzoek doet naar een leuk ontbijttentje.’ Bas en ik lagen in onze Zeeuwse B&B en waren net wakker, na nietsvermoedend lekker lang te hebben uitgeslapen. De kinderen lagen in de kamer naast die van ons op een stapelbed en sliepen nog. 

We hadden het idee opgevat om een lang weekend weg te gaan. Eigenlijk gaan wij nooit een lang weekend weg en dus kwam het ook niet in ons op, dat je zoiets wel eens zou moeten plannen. Ook niet als zo’n lang weekend in de zomervakantie valt en dezelfde bestemming heeft als driekwart van de Nederlanders en meer dan de helft van de Duitse bevolking. 

Zo kwam het dat we tegen de eigenaren van onze B&B hadden gezegd dat we op zaterdagochtend zelf wel ergens een ontbijt zouden regelen. Want: ‘dat is veel leuker dan elke ochtend in die B&B ontbijten’. Bas ging aan de slag op zijn telefoon en na een klein half uurtje (waarvan, naar ik nu vermoed, ongeveer vijf minuten daadwerkelijk naar ontbijttentjes gegoogled is), zei hij: ‘Nou, de meeste hebben maar ontbijt tot 10 uur, lijkt het…’ ‘Oké, maar heb je dan wel iets gevonden?’ ‘Ja, komt goed.’ 

Om kwart over tien zaten wij geknipt en geschoren in de auto en stelde Bas de navigatie in op Dishoek, een vlakbij en aan het strand gelegen gehucht. En warempel, aan een schattig pleintje aldaar lagen drie hotel-restaurants, met terrassen die onder gunstiger weersomstandigheden uitnodigend waren geweest. Helaas bleek dat er aan dat pleintje niet geparkeerd kon worden en moesten we, na drie eigenwijze rondjes om de kerk, toch echt bij een lokale Spar parkeren, waarna het nog tien minuten door de regen teruglopen was naar het pleintje. Op goed geluk stapten we bij de eerste zaak naar binnen. 

  • Goedemorgen, kunnen we hier misschien nog ontbijten?
  • Nee, helaas, dan had u iets eerder moeten zijn. Misschien morgen? Dan is het handig als u rond half tien hier bent.
  • Nou, daar denken we nog even over na, bedankt, in ieder geval.

Bij het volgende restaurant stond de kaart buiten en die zag er veelbelovend uit. Bas en de kinderen waren al gaan zitten, toen ik voor de zekerheid nog even bij de bar navroeg of we ook iets te eten konden bestellen. ‘Nee, sorry, de keuken gaat pas om twaalf uur open.’ Inmiddels lichtelijk aan de chagrijnige kant dropen we af en midden op het pleintje bedacht Bas dat hij wel even het duin op zou rennen, om aan de andere kant bij een strandtent te informeren of de keuken open was. Ondertussen sloegen Anne en ik serieus aan het googelen op bakkertjes met een bijbehorende eetgelegenheid. Ongeveer tegelijkertijd met dat Bas hoofdschuddend het duin weer kwam afrennen, gaven wij de strijd op en zei ik: ‘Bij die Spar hebben ze vast croissantjes….’ Die we vervolgens in de auto hebben opgegeten. Glamoureuzer dan dit wordt het niet. 

Het volgende plan voor die dag was windsurfen. Bas heeft als kind veel gesurft en wil dat al jaren aan de kinderen leren. Voor het eerst hadden zij er nu zelf ook oren naar en zo’n kans moet je niet laten schieten, als je pubers ergens enthousiast over zijn. Dus: terug naar de B&B, tas ingepakt met badlakens en zwemkleding, een rugtas met wat snacks, zonnebrand en mijn boek (jaja, net als bij het skiën had ik weer de hoop dat er ook voor mij een leuke middag in zat) en een koeltas met wat blikjes en pakjes. Eenmaal aangekomen bij de Brouwersdam regelde Bas wetsuits en een plank. Het daaropvolgende kwartier ging ongeveer zo.

  • Hou jij die tas met badlakens even vast?
  • Mam, waar is m’n zwembroek?
  • Mam, heb jij m’n bikini?
  • Ik kom niet in die wetsuit
  • Hoe krijg je die schoentjes aan?
  • Hou jij m’n kleding even vast?
  • Shit, ik heb je BH in die plas laten vallen
  • Hier, m’n bril, hou jij die bij je?
  • Deze schoenen doen echt zeer
  • Oh, heb jij pappa’s bril, wil je die van mij ook vasthouden?
  • Kan die kleding niet in de kleedkamer blijven hangen?
  • Nee, dat valt allemaal op de grond, hier, doe hier maar in. Hou jij die dan bij je?
  • Er zitten gaten op de ellebogen
  • Waarom heeft Anne van die hoge schoentjes en ik niet?
  • Dit is het bonnetje van de plankhuur, die hebben we straks weer nodig, doe jij die in je tas?

Uiteindelijk liep ik weer als volleerde koelie met badlakens om m’n nek, in beide handen uitpuilende tassen en twee tassen om m’n schouders, achter ze aan. Waarna ik nog een uur met m’n voet op een tweede zeil moest gaan staan, zodat die niet weg zou waaien. Die ze uiteindelijk niet gebruikt hebben.

We schrijven het jaar 2020 mensen. Een kloeke ZES jaar nadat ik vertelde over hoe een dagje uit bij ons nou nooit eens normaal kan gaan en hoe ik op onze skivakanties ook altijd voor de kapstok wordt aangezien

Hoe zat het ook alweer met die ezel en die steen? Dat geldt blijkbaar niet voor pakezels. Die zijn nóg dommer….

Als het maar droog is

the-rain-and-the-sun“Mam! We hebben lekkage! Er loopt water uit de lamp in de bijkeuken!” Het is op een donderdag in de zomervakantie, tien uur ’s ochtends en ik zit op m’n werk. Anne belt op m’n mobiel en klinkt behoorlijk in paniek. En hoewel water uit de lamp inderdaad aanleiding mag zijn tot een lichte vorm van paniek, begrijp ik het niet zo goed, want Bas is thuis met de kinderen. “Oh jeetje zeg, dat klinkt niet best. Maarreh, pappa is toch thuis?” “Ja, natuurlijk, maar het lekt écht heel hard hoor, het loopt over de drempel zó de hal in! Wacht, ik stuur even een filmpje!” Hangt op. Natuurlijk, puber in wording, dan wil je als ouder paniek in de stem nog wel eens verwarren met pure sensatiezucht.

Naast dat het donderdag is, is het ook twee dagen voordat we op vakantie gaan. Al-tijd fijn, zo’n akkefietje, als je ook bezig bent met inpakken, laatste boodschappen, schoonmaken, alternatief onderdak voor de huisdieren regelen en orchideeën naar gezellig kletsende buurvrouwen brengen. Waardoor we op de dag voor vertrek nog de loodgieter over de vloer krijgen (of liever gezegd: over het dak) en de schade-expert van de verzekering. Gelukkig had Bas de dag ervoor alles, zo goed als en zo kwaad als het ging, droog gekregen, alles van waarde op een hoger niveau gezet en alles met de elektriciteit geregeld (gedoe met aardlekschakelaars en onbruikbare groepen… huuh…), dus daar heb ik geen werk meer aan. De buurvrouw belooft om bij harde regen te gaan kijken of het nog steeds lekt, ik geef haar het nummer van de loodgieter, just in case, en dan gaan we toch maar op vakantie. Naar Engeland, dit jaar.

Ook in Engeland blijft het de twee weken dat we daar zijn, niet alle dragen droog. Dat weet je van tevoren natuurlijk, als je naar Engeland gaat, maar we gingen naar het ‘tropische deel’ van Engeland, Cornwall en South Devon. Van verschillende kanten was mij al verzekerd dat het daar ‘echt veel minder’ regent dan in de rest van Engeland. Nou weet ik niet wat voor noodweer ze dan in de rest van Engeland hebben gehad, maar ook op onze in de tropen gelegen camping krijgen we de nodige watergordijnen en windhozen over ons heen.

De eerste dagen gaat het nog goed en op de dag dat het mooiste weer voorspeld wordt, gaan we naar een zwembadencomplex aan de kust, met allemaal verschillende glijbanen. De zon schijnt, het is warm, een fantastische dag. In de middag ziet de lucht er af en toe dreigend uit, maar steeds wijken de wolken af en we houden het droog. Geen moment komt het in me op dat het 30 kilometer verderop misschien wel heel hard zou kunnen regenen, totdat we ’s avonds thuiskomen en blijkt dat we twee zijflappen van de tent open hebben laten staan… Een hele tas met kleren is doorweekt, de elektrische kachel durven we voorlopig even niet aan te zetten door de hoeveelheid water die eruit komt lopen en wéér kunnen we dweilen…

Na een paar dagen regen vraagt de Britse buurman van een paar tenten verderop (leuke bos blonde krullen, precies goed stoppelbaardje, vrolijke ogen… lijkt eigenlijk helemaal niet Brits, meer Zuid-Europees… maar ik dwaal af): “So are you enjoying our real British summer? I’m telling you, we’ve had the best summer in years, right up until the day we arrived here!’ Hebben wij dat. Gelukkig zitten er ook nog prima droge dagen tussen, waarbij het weliswaar jasje-aan-jasje-uit blijft, maar we kunnen heel mooi de omgeving verkennen en van het prachtige landschap genieten.

Wel valt het ons op dat die ene Britse buurman de enige campinggenoot is, die een beetje gezellig doet. Er zijn geen andere Nederlanders op de camping (of überhaupt andere Europeanen), alleen maar Britten. En man, wat zijn die afstandelijk zeg! Er kan nog geen gedagje vanaf als ze voorbij lopen, de kinderen spelen alleen maar met elkaar, niemand maakt een praatje bij het afwasgebouw… Ik hoef heus niet elke avond bij iemand anders te zitten, maar zo af en toe even ervaringen uitwisselingen of gewoon ‘waar kom je vandaan’, dat is toch een gedeelte van de charme van kamperen. Ook het personeel in pubs en winkels vinden we niet bijzonder (klant)vriendelijk. Nu zijn wij natuurlijk die over the top joviale Amerikanen gewend, maar ik had eigenlijk van die Britten wel een soort John Cleese-achtige zelfspothumor verwacht. Het blijkt dat hij niet voor niets de draak steekt met de inborst van zijn landgenoten.

Toch komen we uiteindelijk nog een Brit met humor tegen. In een souvernirwinkeltje werkt een jongen van begin twintig, die geïnteresseerd vraagt waar we vandaan komen en hoe we het hier vinden. Om hem niet voor het hoofd te stoten, klets ik er een beetje omheen en zeg dat de camping mooi is en de omgeving prachtig. Maar omdat Anne een hoodie wil laten bedrukken en het uitzoeken van de letters een eeuwigheid duurt, blijft hij maar doorvragen over of we het naar ons zin hebben. Ja eh, als je het dan écht wil weten, dus ik zeg: “Well, I do have to say, we’ve been to a lot of countries in and outside of Europe, but the people here are… how do I say this… they kind of keep to themselves, don’t they?” De jongen knikt vrolijk en vol herkenning en zegt: “I know! I’ve just been on holiday with my girlfriend to Mallorca and people are so different on the mainland. They are much more open and welcoming!” Hè gelukkig, ik heb hem niet beledigd. Dus ik voeg er nog aan toe: “It’s funny with the guests at the campground, it’s like they really don’t want to talk to you.”

Hij lacht en zegt: “Yes, we tend to get a bit moody. I think it’s the weather.”

Als we na nog twee dagen regen bij de eerste zonnestralen weer uit onze tenten tevoorschijn komen, zegt de vriendelijke camping-Brit: “Right, that’s it, we’re going home. Too much rain for us!” En ik denk: meen je dat nou? Houden we het gewoon langer uit in de regen dan de locals? Ik denk toch dat hij tweede generatie Griek was.

Vliegveldstress

schiphol-druk_0

“En waar is meneer B.?” De Schipholbeambte kijkt me over de rand van zijn leesbril onderzoekend aan. “Pardon?” “Meneer B. De vader van de kinderen? Waar is die?”

Het is vakantie. We gaan naar Amerika en Bas is twee dagen eerder al vertrokken, zodat hij alvast wat werkdagen under z’n belt kan krijgen, voordat wij aankomen. Hij had wel onze tickets geregeld, een tijdje terug en om kosten te besparen hadden we mijn ticket met airmiles betaald. Daarna waren de miles zo goed als op en voor de kinderen hebben we dus een gewoon ticket gekocht. Wat resulteerde in de volgende gang van zaken.

De avond voor vertrek. Ik besluit ons online in te checken. Volg keurig de door KLM gemailde link, check mezelf in en probeer de kinderen in te checken. Error: unaccompanied minors may not be checked in online. Please visit one of our service desks. Huh? Bel Bas. “Nou, dat is ook gek.” Probeert het ook online. Krijgt dezelfde foutmelding. “Tsja, dan moet je het toch morgen maar even bij de balie daar doen.”

De dag van vertrek. Ik kom (op de vrijdag voor de meivakantie, zonder dat we het wisten een van de drukste dagen van het jaar op Schiphol, het was zelfs op het nieuws…) aan bij de vertrekhal en probeer met de paspoorten bij zo’n terminal in te checken. Zelfde foutmelding… Ik trek een mevrouw in het blauw aan haar jasje om ons te helpen. Zij probeert het nog een keer met de paspoorten. Weer dezelfde foutmelding. Ze stuurt ons naar de incheckbalie voor mensen met honden en katten, buitensporig grote bagage en andere vreemdsoortige omstandigheden. “Oh, ik zie het al, dat komt omdat uw ticket met airmiles is geboekt en die van de kinderen niet. Nu denken alle systemen dat zij alleen reizen. Ik zal u alle drie inchecken.” “Fijn, bedankt. Zitten we dan wel naast elkaar?” “Nou, het is goed dat u het vraagt… Eens kijken, u zit op rij 43 en de kinderen…. Op rij 22. Dus nee, dat is niet naast elkaar.” Twee verschrikte gezichten kijken me aan. “Maarreh… daar is vast nog wel iets aan te doen, toch?” “Tsja, dat zult u dan even bij het boarden moeten vragen.”

Na ruim anderhalf uur wachten bij de bagagecontrole (met achter ons in de rij een peuter met een loopfiets. Met een bel. Die het echt héél goed doet.) komen we bij de bewuste Schipholbeambte aan. “Nou, mijn man is woensdag al vertrokken voor werk, en wij volgen hem nu om vakantie te gaan vieren.” Ik schenk hem mijn meest zelfverzekerde ‘kijk-ons-eens-in-vakantiestemming-zijn-glimlach’ en hoewel de bleke toetjes van de kinderen niet echt meehelpen (want: zitten we straks wel naast mamma en niet naast wildvreemde, dikke, snurkende mannen?), kom ik er volgens goed Nederlands gebruik zonder verdere vragen vanaf en mogen we doorlopen.

Volgende stop: het vraaggesprekje over het inpakken van de bagage. “Wie heeft uw koffers ingepakt? Heeft u uw bagage uit het oog verloren? Heeft u cadeautjes meegekregen?” En ik, met m’n stomme kop: “Nou, de kinderen hebben wel een pakketje van oma meegekregen.” Tot mijn afgrijzen zie ik op het hoofd van de goede man zich op verschillende plekken alarmbellen aftekenen. Zowel in zijn ogen, als op zijn voorhoofd, in zijn haargrens en zelfs op allebei zijn neusvleugels. Ik probeer het nog snel goed te maken met: “Ja, gewoon dropjes en M&M’s enzo hoor, en een tijdschrift. Het zit in doorzichtig folie, ik heb precies gezien wat erin zit.” Hij lijkt ook niet bijzonder veel zin in en tijd voor gedoe te hebben en vraagt aan de kinderen: “Klopt dat jongens? Hadden jullie het pakketje van oma al uitgepakt?” Vroeger had ik ze dan een onopvallend schopje tegen hun schenen gegeven, maar nu zijn ze gelukkig oud genoeg om aan te voelen dat je op zo’n vraag gewoon bevestigend moet knikken en blij moet glimlachen.

Bij de gate staat al ‘gate closing’ als we aankomen en dan moet ik het stoelendebacle nog regelen. Een hoop gehannes, een bijzonder vriendelijk echtpaar, een man die hetzelfde stoelnummer toebedeeld heeft gekregen als ik en een racistische oudere dame verder, zitten we geïnstalleerd, kunnen we op weg en denk ik dat het ergste achter de rug is.

Totdat we aan de overkant in Minneapolis door de paspoortcontrole moeten. Nu was daar altijd al een lange wachtrij voor, maar sinds Trump aan het bewind is, zijn ze nog veel minder happig op buitenlanders en kunnen we dus wéér anderhalf uur voetje voor voetje dichterbij de felbegeerde poortjes schuifelen, waarboven de Stars ’n Stripes toeziet op een streng doch rechtvaardig toelatingsbeleid. Anders dan zijn Nederlandse collega, is deze douanebeambte een stuk minder inschikkelijk. “Ma’am, where is your husband?” Ik zweer het, je zal gescheiden zijn. Of weduwe! Maar ik braaf weer m’n verhaal afsteken. “Do you have a document that states that you are allowed to travel with these children alone?” Come again? Ehm, het zijn toch ook míjn kinderen? Maar ik heb geleerd: don’t mess with Amerikaanse douanebeambten, die moet je vooral te vriend houden. Dus: “Oh, I’m so sorry, no I don’t…” Nou, dat het toch vooral een goed idee is om dat in de toekomst even zwart op wit van de vader te krijgen, want you never know, met child trafficking en al dat soort ongein tegenwoordig. En dan heb ik nog niet eens een hoofddoek. Niet respectloos bedoeld hoor, maar ik denk zomaar dat zo’n mevrouw nog meer het vuur aan de schenen gelegd zou worden.

Natuurlijk is het heel erg nodig dat vliegveldpersoneel hier alert op is en getraind wordt om verdachte situaties te signaleren. Achteraf gezien kan je dat allemaal beredeneren en is het echt niet erg om een paar extra vragen te beantwoorden en advies te krijgen hoe je in het vervolg kan voorkomen dat je je moet verantwoorden voor het op vakantie gaan met je eigen kinderen. Maar op het moment zelf, als je ook nog een vervolgvlucht moet halen… Leuk is anders.

We mogen verder en een zwaar vertraagde vlucht naar New York, een in het vliegtuig vergeten smartphone (door wie wil ik hier graag even in het midden laten…) en een vermiste koffer later, kunnen we eindelijk aan onze vakantie beginnen.

Zo moeizaam als de heenweg ging, zo vlotjes gaat de terugreis. Zo vlot zelfs, dat we op het vliegveld van Detroit een sprintje moeten trekken om de aansluitende vlucht naar Amsterdam te halen. En terwijl we daar, bepakt en bezakt, de handbagage op onwillige wieltjes achter ons aantrekkend en schoudertassen hotsend en botsend tegen m’n benen, langs de gates rennen, roept Daan naast me: “Hee mam, het is net of we in Home Alone zitten!” Ik schiet heel hard in de lach en denk bij mezelf: “Jongen, als Sandra Bullock beschikbaar is voor de hoofdrol, ga ik m’n eigen film regisseren.”

Leeg nest

empty-nest-ftrMet enige regelmaat verzuchten Bas en ik tegen elkaar: ‘Fijn hè, dat ze al zoveel zelf kunnen?’. Zeker op zo’n camping zijn de verschillen goed zichtbaar tussen ouders met kinderen in de luiers en die waarvan de kinderen in de onderhoudsluwe fase zijn beland. Waar de eerste categorie ouders verhit de heuvels op en af hun peuters achterna zitten, verplicht mee het springkussen op en het zwembad in moeten en ’s avonds in het douchegebouw besluiten de volgende keer toch echt die herriestoppers mee te nemen, zie je de tweede categorie relaxed met een versnapering bij de tent / caravan / het zwembad zitten, terwijl de kinderen met dezelfde dag gemaakte vriendjes zichzelf vermaken en alleen af en toe een handje chips komen halen of om een ijsje komen vragen.

Toen wij nog in de eerste categorie vielen, keek ik altijd verlangend naar de ouders met grotere kinderen. Wat heerlijk leek me dat, uren ongestoord een boek te kunnen lezen! ’s Avonds lekker lang over de marktjes te kunnen dwalen zonder met bedtijd rekening te hoeven houden. Tot 9 uur uitslapen in plaats van om half 7 met een huilende baby de hele camping wakker maken. Maar nu moet ik toegeven dat ik het eigenlijk wel een beetje mis. Ik heb last van vervroegd legenestsyndroom.

Na het ontbijt gaat Daan de hele ochtend voetballen en Anne naar de knutselclub. Zogenaamd om de kleinere kinderen te helpen, maar ondertussen hebben we al een dromenvanger, een lampion en een bloem van propjes crêpe papier in de tent hangen. Met moeite krijgen we ze aan de lunchtafel, waarna er zo snel mogelijk gezwommen moet worden. Voor de vorm gaan we dan nog mee en met een beetje geluk komt Daan nog wel eens met een handdoek omgeslagen lekker bij me zitten op het zwembadbedje, maar verder komen we toch vooral in beeld als er behoefte is aan catering. Ik heb al drie boeken uit.

We hebben afgesproken dat de kinderen de ontbijt- en lunchafwas doen en Bas en ik die van het avondeten, dus ook onder het afwassen zien we de kinderen niet. Wél horen we ze vanaf het sanitairgebouw uit volle borst ‘It’s the hard knock life’ zingen onder de afwas, maar dan zeggen we tegen voorbijgangers altijd dat het Amerikaanse kinderen zijn die wij niet kennen.

Toen Bas en ik een keer stonden af te wassen, stond er een Nederlandse man naast ons en rondom zijn benen drentelde een allerschattigst meisje van een jaar of vier. ‘Pappa, kijk eens, hoe mooi ik kan dansen?’ Pappa stond net te zwoegen op het barbequerooster en had even geen tijd. ‘Pappa? Paaapppaaaa!!! Kijk nou even! PAPPA!!’ De pappa keek en ze maakte een mooie draai, waarbij haar zomerjurkje meezwierde in de warme zomerlucht. ‘Goed hoor’, zei de pappa, waarna hij zich weer over het rooster boog. Ik wilde zijn arm aanraken en tegen hem zeggen: ‘Laat die afwas nou even en dans met je dochter. Nu wil ze nog.’ Maar ik deed het niet.

Toen ik bij de tent het gasstel had schoongemaakt, liep ik nog even terug om het sopwater weg te gooien. Terwijl ik de vaatdoek stond uit te spoelen, hoorde ik een kind hartverscheurend huilen. Nu is dat niet ongebruikelijk vanuit het douchegebouw van een camping, maar meestal hoor je dan een vader of moeder iets terugzeggen in de trant van: ‘Nou, kom op, even de shampoo uitspoelen en dan ben je klaar’, of ‘Stoot je nou zo hard je hoofd tegen de kraan?’. Maar hier hoorde ik geen ouderlijke susgeluiden, alleen maar huilen. Ik besloot even poolshoogte te gaan nemen.

In de deuropening van een van de wc’s stond een poedelnaakt jongetje van niet ouder dan drie. Hij was rood aangelopen van verdriet en de tranen hadden witte sporen over zijn groezelige wangetjes getrokken. ‘Wat is er aan de hand?’, vroeg ik. Verschrikt keek hij me aan en ik dacht: misschien is hij wel Frans, dus ik voegde er nog aan toe: ‘Ça va?’.

‘Het lukt me niet’, zei hij met een benauwd stemmetje. ‘Wat lukt niet? Naar de wc gaan?’ ‘Nee, om mijn bi-hi-hillen af te vegen’, huilde hij verder. ‘En mijn moe-hoe-hoeder zit in de caravan en die hoort mij niet!’

‘Zal ik je anders even helpen?’ Uit ervaring weet ik dat niet alle kinderen het goed vinden als vreemde moeders hun billen afvegen en ik snap dat. Maar dit jongetje had, getuige de zon die doorbrak op zijn gezicht, de hele dag nog geen beter nieuws gehad en zei: ‘Ja.’ ‘Oké, nou, ga maar weer even zitten dan, op de wc, dan kan ik er beter bij.’ En dat deed hij. Ik veegde die kleine billetjes schoon, wachtte tot hij zijn broek had opgehesen, hielp hem met handen wassen en samen liepen we het gebouw uit.

‘Ik moet daarheen mefrouw.’
‘Oké, mijn tent staat daar, dus ik ga daarheen, goed?’
‘Oké.’
‘Doei.’
‘Doei!’

Hij zwaaide. Ik heb me in tijden niet zo nuttig gevoeld.