Ziekenboeg

ziek2

Hij is af! Wat een werk altijd weer, maar het is klaar. Tsja, je moet wat, als iedereen ziek, zwak en misselijk op de bank hangt en het is kerstvakantie. Al vanaf dag één zaten wij in eenzame opsluiting in huis vanwege de griep. Voor ons geen dagjes schaatsen, naar de bioscoop, Snow World of het zwembad. Wat dat betreft kun je Facebook ook maar beter even ziek melden, als je verplicht met twee snotterende kids aan huis gekluisterd bent. Want natuurlijk gun je iedereen de vakantie die hij verdient, maar je gunt het jezelf ook toch best wel een beetje…

Voor ons dus geen kerstdiners of familiebezoek en toen ik zelf na twee dagen koorts weer rechtop kon zitten en de rest van het gezin zich overgaf aan een Star Wars marathon van ongekende proporties, ben ik achter de computer gekropen om mijn jaarlijkse compilatiefilmpje te maken. Van alle foto’s en filmpjes die we in een jaar maken, zet ik altijd de leukste, mooiste en grappigste achter elkaar met wat leuke muziekjes eronder. Leuk om te maken en ook de enige manier, althans, voor ons, waarop we ooit nog wat doen met die oceaan aan foto- en filmmateriaal, die zich in de cloud ophoopt. Zo vindt vooral Anne het heel fijn om op een regenachtige zondagmiddag zo’n filmpje uit de kast te trekken van toen ze zelf net leerde lopen en praten. Geen mooier vermaak dan leedvermaak, blijkbaar, want dan ligt ze echt onder de tafel van het lachen.

Het maken van die filmpjes zet mij na verloop van tijd onvermijdelijk in de sentimentele-dweilstand. Het is mijn persoonlijke NOS jaaroverzicht. Om met Acda & De Munnik te spreken: ‘Wie ging er weg, wie kwam er bij? Wat ik deed, deed ik het goed? En hoe komt het dat het leven naar me lacht?’ Ik ga er nog net niet bij op het dak zitten.

Elk jaar komen dezelfde thema’s terug. De verjaardagen van de kinderen, de zomervakantie, Sinterklaas. En kijk nou, vorig jaar zaten we met de jaarwisseling in Mexico om last minute onze visa te verlengen, dat is waar ook. Toen lag ik op 31 december ook al ziek op bed, ik zie een patroon!

Maar het meest opvallende in het materiaal van het afgelopen jaar is de omslag van ons leven in de VS naar ons leven weer in Nederland. Van heel veel nieuwe dingen ontdekken naar heel veel familiebezoek. Van meestal met z’n vieren op pad naar op de koffie bij lieve vrienden. Ik weet nog dat ik in de VS vaak zei: ‘Het grootste nadeel van in het buitenland wonen is meteen ook het grootste voordeel: je moet je familie en vrienden missen, maar daardoor heb je heel veel quality time met je gezin.’

Nu we weer in Nederland wonen zijn we ongemerkt, of misschien ook wel heel bewust, weer in ons oude drukke sociale leven gestapt. We gaan weer naar alle verjaardagen, de opa’s en oma’s komen graag weer langs, de kinderen gaan meer hun eigen weg op sociaal gebied, kortom, de tijd die we voor elkaar hadden in de VS, schiet er hier meer bij in.

Dus hoe jammer het ook was dat we alles en iedereen hebben moeten afbellen en afhouden in de kerstvakantie en hoe beroerd we ons ook voelden, het bracht ons wél heel even terug in ‘Amerikaanse’ sferen. Just we, ourselves and us.

En ik vond het fijn.

Advertenties

Met de billen bloot

hiphop%2520(2)

‘Mam, ik vind de dansles hier leuker dan bij de YMCA’. ‘Oh ja, waarom dan?’ ‘Nou, omdat we hier een paar verschillende dansen doen. Dus als er een niet zo goed gaat, dan doe je die tenminste niet de hele tijd. En het is op veel leukere muziek, niet alleen maar nummers uit de oudheid!’

Zo. En daar hebben we het dan. Tijd voor de billen bloot. Want hier vat Anne eigenlijk even heel mooi samen waarom we het leven voor de kinderen in Nederland fijner vinden dan in Amerika. Na mijn afgelopen twee klaagzangen over het Nederlandse weer respectievelijk de supermarktcultuur, vind ik het ook belangrijk om te vertellen waarom we dan weer terug wilden naar Nederland.

Veel mensen hebben aan ons gevraagd: ‘Maar had je daar dan niet willen blijven?’ Nou, heb je even? Als ik alle factoren ga opnoemen waarvoor we wel daar hadden willen blijven, neem er dan gerust een bak koffie bij. En eigenlijk, goed beschouwd, is er maar een reden geweest om terug te komen: de kinderen.

Het ironische is, voordat wij naar Amerika vertrokken, zei een collega van Bas tegen ons: ‘Jullie gaan het daar fantastisch hebben, want ALLES is op kinderen gericht.’ En op het eerste gezicht is dat ook zo. Restaurants hebben zonder uitzondering een uitgebreid kindermenu en kinderen worden met open armen (en een kleurplaat) ontvangen. Halve porties, extra vorken, niks is te gek om het kinderen (en dus ook hun ouders) naar de zin te maken. Er is een oneindig aanbod aan sport, hobby’s en andere activiteiten. De kinderopvang is een industrie op zich.

Maar misschien wel juist doordát alles op kinderen is gericht, is de druk op die kinderen verschrikkelijk groot. Ik heb maar weinig gezinnen meegemaakt waar de kinderen gewoon ‘goed genoeg’ waren. Waar niet alsmaar werd verteld over de schoolprestaties, sportprestaties, dansprestaties, hoeveel vrijwilligerswerk ze deden, hoeveel tijd ze aan hun huiswerk besteedden en dan tóch nog tijd hadden om drie keer per week met de cheerleaders te oefenen… Op school moest iedereen hetzelfde niveau kunnen halen. En ging dat niet, dan werden kosten noch tutors bespaard om het kind aan de haren omhoog te trekken totdat het wél net zo goed was als de klasgenootjes.

In een notendop: Amerikaanse kinderen hebben een druk leven en al vanaf jonge leeftijd weinig tijd meer om kind te zijn. Waarbij de ouders en eigenlijk de volwassenen in het algemeen er ver in gaan om elkaar de loef af te steken.

Die dansschool bijvoorbeeld. Iedere dansschool werkt toe naar een eindejaarsvoorstelling, de ‘recital’. Alleen al in ons dorp was dat een enorm prestigieus gebeuren, waarbij de verschillende dansscholen met hun recital willen laten zien dat zij het meeste aanzien genieten. Daardoor werd al vanaf december (met de recitals eind mei / begin juni) door iedere groep een eigen dans ingestudeerd, die weer moest passen bij het algemene thema van de voorstelling. Wat in het geval van Anne betekende dat ze zes maanden elke week dezelfde dans oefende, op ‘Big girls don’t cry’ (ja, die uit Dirty Dancing).

Wat een verademing dan ook, dat de meiden hier elke les een stuk of vijf verschillende dansen krijgen en lekker kunnen swingen op voor hén bekende muziek van Jessie J en Ariana Grande. En dat er volgende week een kerstpresentatie wordt gegeven voor ouders, opa’s en oma’s en dat er in de uitnodiging stond: de dansers graag in rood / wit gekleed met een kerstmuts, indien voorhanden. Niks geen 60 dollar voor een verplicht kostuum, a4-tje met make-up handleiding en 2 generale repetities. Gewoon, lekker ongedwongen laten zien waar je mee bezig bent.

En hoewel ik het geweldig vind dat ze een keer zo’n semi-professionele show heeft kunnen meemaken, is dit nog maar een voorbeeld van hoe ik vind dat de Nederlandse samenleving pas écht op kinderen is gericht, zonder zich daarbij al te veel aan te trekken van uiterlijk vertoon.

De kinderen kijken over het algemeen met heel veel plezier terug op onze tijd in de VS en zijn trots op dat kleine beetje Amerikaanse roots dat ze nu bij zich dragen. Daan kwam deze week thuis met het eerste couplet van het Wilhelmus, daar waren ze in de klas mee bezig geweest. Zonder dat Anne erbij was, had ik er met hem naar gekeken en het gezongen. Later, toen ik met Anne alleen was, vroeg ik uit nieuwsgierigheid:
‘Weet jij eigenlijk hoe ons volkslied gaat?’
‘Ja, maar alleen het laatste stukje.’
‘Oh’, zei ik, verbaasd dat ze überhaupt iets van het Wilhelmus wist. ‘En hoe gaat dat dan?’
Met een ondeugende lach zette ze uit volle borst in: ‘Oh, say does that star spangled banner yet wave… Over the land of the free and the home of the brave!’

Boodschappenblues

0b60613b-e4eb-4552-864f-7769c0e7b865_shutterstock_81544639_winkelwagen_supermarkt_boodschappen_LR_490x330

Zo, we zijn er weer. In Nederland, in ons dorp, in ons eigen huis. De kinderen op hun oude school, Bas weer aan de slag en ik? Ik doe mijn uiterste best om me niet als een buitenlander in mijn eigen land te voelen.

Over het algemeen gaat dat best goed. Het is ontzettend gezellig om weer zo dicht bij alle familie in de buurt te zijn, om op het schoolplein weer alle bekende mensen tegen te komen, een praatje te maken, me weer welkom te voelen. Maar soms betrap ik mezelf erop dat ik iets raars en heel on-Nederlands doe. Of dat ik juist een beetje schrik van hoe sommige dingen gaan. En gingen die dingen dan altijd al zo en is me dat nooit opgevallen?

Neem nou de supermarkt. De eerste keer weer naar de Albert Heijn kon je toch wel een cultuurshock van jewelste noemen. Met goede moed liep ik met mijn boodschappentassen richting de wagentjes en wilde er eentje pakken, toen ik *snok* merkte dat die aan elkaar vastzaten. Oh ja, die zitten natuurlijk altijd met zo’n kettinkje en dan heb je zo’n muntje nodig… Voordeel van al die mensen die hun muntje terug willen is wel dat niemand zijn wagentje midden op de parkeerplaats laat slingeren, wat in Amerika dan weer heel gewoon is. En waar ze speciaal iemand in dienst hebben die de hele dag achtergelaten winkelwagentjes van het parkeerterrein weer naar de winkel terugbrengt.

Anyway, eenmaal binnen schoot ik haast in de lach om hoe klein het was. De keuze in groenten en fruit is eigenlijk wel vergelijkbaar, alleen ligt er gewoon van alles veel minder. Tien meloenen in plaats van zeventig. Eén zo’n zwarte bak met sperziebonen in plaats van vier. Het verschil zit hem vooral in de rest van de schappen. Waar ik bij de Stop and Shop een heel pad kon doorlopen met aan de ene kant alleen maar potten tomatensaus en aan de andere kant alleen maar verschillende soorten pasta en het volgende pad bestond uit aan de ene kant koffie en thee en aan de andere kant vruchtensap (maar dan weer geen jus d’orange, want die had een heel eigen pad), waarbij een pad ongeveer drie keer zo lang was als een pad in onze Albert Heijn, ben ik hier in een vloek en een zucht door de winkel heen. Lekker overzichtelijk hoor! Ik weet nog, de eerste maanden in de VS kon ik echt úren door de winkel dwalen en na een jaar ontdekte ik nog steeds schappen met producten die ik daarvoor gewoon over het hoofd had gezien. En die winkelbediendes moeten toch op een gegeven moment ook gedacht hebben: ‘Oh god, daar heb je haar weer met al d’r vragen, ik steek m’n hoofd even tussen de melkpakken…’

Verder is het in Amerika gebruikelijk om, als je langs iemand loopt en daarbij diegene het zicht beneemt op het schap waarin hij iets aan het uitzoeken is, even ‘excuse me’ te zeggen. Dus ik steeds maar ‘Sorry’, ‘Pardon’, ‘Sorry’, ‘Even erlangs hoor, sorry’, totdat ik zag dat de mensen naar me keken of ik van een andere planeet kwam. Dus toen ik zelf even iets stond te zoeken en een man plompverloren mijn kar vastpakte, er met z’n volle gewicht overheen ging hangen en net het laatste pakje herfstthee weggriste, ben ik met de beleefdheden maar gestopt.

Het gedrag in de rij voor de kassa is ook het bestuderen waard. Het is mij opgevallen dat de Amerikanen vaak het gevoel hebben ergens recht op te hebben. Zoals het recht om zo snel mogelijk geholpen te worden bij de supermarktkassa. Het gebeurt dan ook zelden dat er meer dan twee mensen in de rij staan. Maar mocht het toch een keer voorkomen en er komt een kassa bij, dan gaat in goede harmonie degene die vooraan stond naar de nieuwe kassa, omdat die tenslotte al het langst staat te wachten.

De Nederlanders zijn het meer gewend om in de rij te staan, merk ik. Maar als er dan een kassa bijkomt… De honden lusten er geen brood van. Degenen die achteraan de rij staan, hebben natuurlijk de beste helicopterview welke kassa er open gaat en die sprinten dan, een ware stofwolk achterlatend en als het moet met ellebogenwerk, naar die kassa, de mensen voor hen, die nog staan te worstelen met te zwaar beladen karren en overwerkte wieltjes, verslagen achterlatend.

Ik lees wel eens verhalen van buitenlanders die in Nederland wonen en als het over de eigenaardigheden van Nederlanders gaat, komt het voorpiepen in de rij ook vaak voorbij. Ik vond dat altijd een beetje raar, was me nooit opgevallen, maar nu zie ik het ook! Toch een beetje buitenlander in eigen land dus.

Vorige week, het was nog schoolvakantie, sprak ineens een man met zwaar Duits accent mij aan in de Albert Heijn: ‘Do you speak English?’. Ach, ik ben toch altijd weer een beetje vertederd als ik erachter kom dat er echt mensen zijn die ons dorp kiezen als bestemming voor hun zomervakantie. Toen ik zijn vraag bevestigend beantwoordde, liet hij me een pakje koffiemelk zien. ‘I’m looking for cream, do you think this is it?’ ‘Well, that depends what you want to use it for. Is it for your coffee or to cook with?’ Hij wilde ermee koken, dus ik bracht hem naar het koelschap en trok er een flesje kookroom uit. Overspoeld door een gevoel van herkenning en heimwee, zei ik: ‘If there’s anything else I can help you with, just let me know.’

Een paar minuten later zag ik hem bij de flessen Spa Rood met een smaakje staan zoeken. Toen hij me zag, zei hij: ‘Oh hi, I’m looking for just plain water, not carbonated’. Ja eh, meneer de Duitser, zo makkelijk kom je er natuurlijk ook weer niet vanaf. Weet je wel hoe lang ik erover gedaan heb om de pastasaus te vinden die we allemáál lekker vonden? Beetje verdwaald raken in de Albert Heijn… Amateur.

Humans of America

NM_124_and_US_66_WB_near_Budville_NM

Ik vind het nu al leuk, onze road trip. Aan de verhuizing wil ik niet teveel woorden vuil maken. Verhuizen is stom. Het is als de avond voordat je op vakantie gaat, maar die stress over vier weken uitgesmeerd. Tel daar nog bij op alle einde schooljaar activiteiten, afscheid nemen van drie lieve collega’s op het werk, spullen verkopen en mensen die op het laatst toch niet op komen dagen voor de koop, een afscheidsfeestje thuis voor 60 man, de kinderen die hun beste vriendje en vriendinnetje gedag moesten zeggen, mijn beste vriendin hier huilend gedag zeggen, een verhuisploeg die elke stap teveel lijkt en doodleuk vraagt of ik even Chinees kan gaan halen voor de lunch en je begrijpt dat het weer kantje boord was, qua geestelijke gezondheid. Maar nu zijn onze spullen op weg naar Nederland en zijn wij op weg naar het zuiden van de VS. Een road trip van drieëneenhalve week die eindigt in Miami, vanwaar we naar Schiphol vliegen en hopelijk tegelijk met onze meubels thuiskomen.

We zijn een dag op weg, op vijf uur rijden van Waldwick en allemachtig, wat hebben we de afgelopen jaren in een luchtbel geleefd! Een wereld van mooie mensen, slanke, afgetrainde lijven, yoga studio’s, Let’s Yo! bars, salade restaurants, smoothie drive throughs, gepolijste tenen, gekapte hoofden en perfecte gebitten. Je zou haast denken dat de gewone wereld er ook zo uitziet. Maar de gewone wereld ziet eruit zoals in Luray, Virginia.

Toen we aankwamen op de camping, zag ik bij de tent naast die van ons een mevrouw die zat te roken. Ik keek nog een keer goed, maar echt, ze rookte een sigaret. Een sigaret! Die heb ik al jaaaaren niet meer gezien, mensen die roken. Ik vond het wel iets ouderwets gezelligs hebben. We maakten een praatje, ze had haar drie kleinzoons meegenomen voor het weekend. Dinsdag moest ze weer werken. Ze lachte verontschuldigend, waarbij ze probeerde haar vergeelde tanden te verbergen: ‘I work in the deli section at Walmart’.

De volgende dag gingen we een wandeling maken om een meer. Vanaf de parkeerplaats zagen de kinderen een grote opblaasglijbaan staan. ‘Kijk! Mogen we daar heen?’ Ik zei nog: ‘Dat is misschien wel voor een feestje hoor, eerst even kijken’ en ja hoor, met afgezakte schouders kwamen ze weer onze kant op. Totdat een dame ze terugriep. ‘We are celebratin’ my granddaughter’s birthday, but y’all are more than welcome to play on the slide if you want to?’ Dat lieten ze zich geen twee keer zeggen en Bas en ik gingen bij de verjaardagsvisite zitten. De man naast me leek qua leeftijd bij de oma van de jarige te passen, dus ik vroeg op goed geluk: ‘Is it your granddaughter’s birthday?’ ‘No, that’s my son over there, he’s nine. I had him with my third wife.’ Daar doe je toch een moord voor, voor zo’n openingszin?

De man, die wel wat weg had van Paul Sr. uit de reality serie ‘Orange County Choppers’, vertelde in de tien minuten die volgden, dat hij de verhuurder was van de glijbaan. Hij had 31 jaar bij het postkantoor gewerkt, was nu gepensioneerd en was dit als ‘side business’ begonnen. Trots als een pauw, want er was niemand anders met zo’n bedrijf en al helemaal niet met 13 verschillende glijbanen. ‘The only cat in town!’ Hij liep zelf inmiddels met een rollator, maar zijn zoon (uit zijn eerste huwelijk) hielp hem met het zware werk. Hij was in het gewone leven vuilnisman, woog ‘280 pounds’ en had vanmorgen ’11 tons of garbage’ opgehaald. De imposante zoon in kwestie zat naast zijn vader, had een vervaarlijk verwilderde blik in zijn ogen en zei: ‘The best thing about working for my dad is: I can be late and still be on time!’

En terwijl de kinderen ondertussen flesjes water mochten pakken (omdat wij natuurlijk weer zonder water én insectenspray van huis waren gegaan…), kreeg ik spontaan zin om een eigen Humans of New York pagina op te richten. Humans of America…. Ik wil dat deze vakantie nog heel lang duurt.

Leven en laten leven?

Carpenter Ant species camponotus vagus

De lente is aangebroken! Eindelijk, eindelijk die dikke winterjas uit, handschoenen, sjaals en mutsen in de kast, gympies aan, de zon op je huid en de lucht diep inademen zonder gevaar voor bevroren neusharen. Wat was de winter lang en wat heb ik ernaar verlangd. Naast al deze heerlijkheid brengt de lente jammer genoeg ook nog wat anders met zich mee en in ons huis zijn dat mieren. Er is blijkbaar geen winter te streng om mieren definitief de das om te doen, dus zodra de eerste dagen boven de 15 graden een feit zijn geweest, besluiten deze beestjes massaal dat ze liever in ons huis vertoeven dan in de vrije natuur. Terwijl je juist zou denken: ga lekker van de zon genieten jongens!

En het zijn ook niet van die lullige mieren…. Ik denk dat de tuinen hier in Amerika kwistig met illegale groeihormonen worden besproeid, waardoor de lokale mieren tot de Arnold Schwarzeneggers onder hun soort kunnen worden gerekend. Ze zijn van het formaat Nederlandse kruisspin, zeg maar. Op Wikipedia staat: “Carpenter ants (Camponotus spp.) are large (0.3 to 1.0 in or 0.76 to 2.54 cm) ants indigenous to many forested parts of the world. They build nests inside wood consisting of galleries chewed out with their mandibles, preferably in dead, damp wood.”

Kijk, nu snap ik het. Toen ons dak nog bedekt was met een dikke laag sneeuw en ijs, kregen we lekkage, doordat het smeltwater onder de sneeuw steeds weer opvroor en zo een steeds grotere “dam” maakte tussen het dak en de gevel. Dat hout is natuurlijk nog lang niet droog en dus heel geschikt voor de mieren om een nest te maken. En mazzel voor de mieren: de grootste lekkage was in de keuken. Ik zou persoonlijk ook liever de door achteloze kinderarmpjes van de ontbijttafel geveegde hagelslag eten dan dorre besjes in het bos, als ik een mier was.

Nu weet ik verder niet zoveel over mieren, maar hoe het volgens mij zo’n beetje werkt is dat de moedigste mieren als verkenners op pad worden gestuurd om te kijken waar er eten te halen valt. Zodra ze denken ergens de jackpot gevonden te hebben, gaan ze dat aan hun vriendjes vertellen en komt er zo’n hele kolonne aangemarcheerd om het voedsel naar de koningin te brengen. Of hebben alleen bijen een koningin? Anyway, dat moeten we natuurlijk niet hebben.

Dus toen ik de eerste mieren had gezien en met een keukenpapiertje had vermorzeld (ze maken zo’n knappend geluid, huu…) zei ik tegen de kinderen: ‘Jongens, als jullie een mier zien, zeg het dan even, dan maak ik hem dood.’ Twee gezichtjes draaiden zich geschokt naar mij om. ‘Hoezo??’. Dus ik: ‘Nou, de verkenners zijn bezig om eten te zoeken en als die terug naar het nest gaan om te vertellen dat er hier lekkere hagelslag en broodkruimels op de vloer liggen, dan hebben we straks de hele kolonie op bezoek. Dus de verkenners moeten dood.’

Toen ik het zei, dacht ik al: zo klinken ze wel erg menselijk en beschaafd. Helemaal niet als de bad guys. En ja hoor, daar begon het geëmmer. ‘Maar mam, dan hoeven ze toch niet meteen dood?! Die doen ook maar gewoon hun werk, hoor!’ Daan begon zelfs te huilen: ‘Hoe zou JIJ het vinden als JIJ een mier was en je werd gewoon doodgemaahaahaakt…’ Je zou willen dat ze zoveel empathie voor elkaar konden opbrengen als ze al schoppend en knijpend over de bank rollen.

‘Kan je ze niet vangen en dan buiten zetten? Dat doen we met de sprinkhanen toch ook?’ Tsja, natuurlijk kan dat. Dus daar ging ik, gewapend met een glas en een kaart om eronder te schuiven. Onze keuken is alleen wel op de bovenverdieping en ik vertikte het om met elke mier naar beneden te lopen, dus ik kiepte ze van het balkon. Daan probeerde nog even: ‘Ja maar, als je ze van het balkon gooit, gaan ze toch nog steeds dood?’, waarop ik resoluut zei: ‘NEE, mieren zijn net als katten, die komen altijd op hun pootjes terecht.’

Na een paar dagen leken de mieren weg te blijven. Ik vroeg me af of ze definitief verhuisd waren of zich aan het hergroeperen waren. In gedachten zag ik de mieren die ik over het balkon had gekiept, hijgend en bezweet bij hun nest terugkeren, waar ze verslag deden van hun bezoekingen. En dat ze, net als in die film ‘Antz’ een leger aan het samenstellen waren. Iedereen pakte zijn helm en speer en stond strak in het gelid, terwijl de commandant schalde: ‘Mannen, het is tijd om te gaan halen waar we voor gekomen zijn!!’ Of nee, het zijn natuurlijk Amerikaanse mieren: ‘Let’s go tell our enemies that they may take our lives, but they will never take our freedom!!’

Ze kwamen inderdaad terug. Toch maar vergif gespoten vanmorgen.