Oneerlijk

211841-96869-ah-mini-quiche-tomaat-mozzarella.11-400

‘Anders ga je even mee boodschappen doen.’ Met deze woorden bezegelde ik Daan z’n woensdagmiddaglot. Waar er normaal gesproken op woensdag meestal wel met vriendjes wordt afgesproken, zit nu het gros van de vriendjes in Vlaardingen, om de naam van de school bij een schoolvoetbaltoernooi hoog te houden. En waar Daan daar normaal gesproken ook bij was geweest, zit hij nu met een liesblessure op de bank. De bank thuis, wel te verstaan.

‘Waarom?’
‘Nou, anders moet ik alleen. Dat doe ik altijd al. Ik vind het wel gezellig als je mee gaat.’
‘Ik vind er niks aan.’
‘Ja eh, ik ook niet, maar we moeten toch eten. Dus je kan best een keer mee. Daar leer je ook nog wat van.’
‘Wat dan?’
‘Nou, van alles. Over wat dingen kosten enzo. En waar alles staat. Kan je ook een keer iets in je eentje voor me gaan halen.’
‘Fijn…’

Met veel dramatisch vertoon worden schoenen aangetrokken, autodeuren dichtgesmeten en oorverdovende stiltes in stand gehouden. Maar als we eenmaal bij de supermarkt zijn, kan hij het jongetje van 10, dat onder die sluimerende puber zit, nauwelijks meer verbergen. Hij wil het glas in de glasbak doen, de batterijen in de Stibat bak, het muntje in het wagentje en de statiegeldflessen in de machine. Hij gaat op z’n tenen staan om in de opening te kijken en de flessen op de lopende band te volgen. ‘So! Moet je kijken!’ Hij trekt me naar beneden met m’n hoofd voor het gat. ‘Het lijkt wel een fabriek!’ Kijk, zo ken ik je weer.

De vorige keer dat de kinderen meegingen naar de supermarkt, had ik meteen weer spijt dat ik ze mee had genomen, door het spervuur aan vragen waar ze me aan bloot stelden. Die vragen blijven nu achterwege. Wel zijn er behoorlijk wat dingen waar Daan het helemaal niet mee eens is, in de supermarktwereld.

Zo was ik van plan om donderdag quiche met sla te eten. Op donderdag eten we altijd makkelijk, want dan ben ik laat thuis en moet Daan trainen. Een kant-en-klare quiche kunnen ze zelf in de oven schuiven en sla, dat lukt ook. Dus ik wil de favoriete quiche van de kinderen uit het schap trekken… liggen ze er niet. En niet alleen in de zin van: ze zijn uitverkocht, nee, er is gewoon geen plek meer voor die soort quiche ingericht in het schap.

‘Shit, ze hebben geen tomaat-mozzarella quiches meer!’
‘Echt? Dan moet je het even vragen.’
‘Ja, dat kan ik wel doen, maar ik denk dat ze ze helemaal niet meer hebben, kijk maar, ik zie nergens zo’n plasticje waar ze zouden moeten liggen.’

Daan zoekt mee. ‘Ik zou het toch even vragen.’

Toevallig zie ik de supermarktmanager, die vakken staat te vullen.
‘Hebben jullie toevallig nog van die kleine tomaat-mozzarella quiches?’
‘Nee, die zijn eruit. Die hebben we alleen als ze in de actie zijn.’
‘Nou, wat jammer zeg, die vonden ze het allerlekkerst!’, zeg ik, wijzend op Daan.
‘Ja’, zegt de man tegen Daan, ‘die komen wel weer hoor, maar dat zal nog wel even duren.’

Daan snapt er niks van. En als de man weg is, zegt hij tegen mij: ‘In de actie? Maar die hebben we toch altijd? Dat is dan toch geen actie?’
‘Nee, ik denk dat hij bedoelt dat ze soms het assortiment een beetje afwisselen.’
‘Hoezo?’
‘Nou, mensen willen soms ook wel eens wat anders eten en er is geen ruimte voor alles tegelijk in de winkel.’
‘Ja, maar wie lust er nou geen tomaat-mozzarella quiche??’
‘Dat weet ik ook niet, maar smaken verschillen nou eenmaal. En die supermarktmanager verzint dat niet zelf hoor. Er is iemand die de baas is van alle Albert Heijns in Nederland en die bedenkt wat er dan in de actie is, blijkbaar.’
‘En zegt hij dan gewoon: we doen nu even geen tomaat-mozzarella quiches?’
‘Ik denk het.’
‘Ik vind dat geen aardige man.’

Nadat we discussies hebben gehad over of we wel of niet nog genoeg toetje in huis hebben, wat de voor- en nadelen zijn van Apekoppen versus KitKat mini’s, of het wel of niet handig is om een product met een 35% korting sticker te kopen en waarom we nog genoeg potten Nutella in de kast hebben staan (‘Je kan toch nooit genoeg Nutella in huis hebben?’ Touché), blijft Daan staan bij een display met Vapona producten. Hij is zo in gedachten verzonken dat ik dankbaar van de gelegenheid gebruik maak om de laatste boodschappen bij elkaar te scharrelen en te roepen: ‘Ik ben alvast bij de kassa!’.

Na een tijdje komt hij erbij staan en onder het op de band zetten van de boodschappen, zegt hij: ‘Die mensen van Vapona zijn niet goed hoor.’
‘Hoezo?’
‘Ze hebben al die beesten op de verpakking rode ogen gegeven en ze kijken allemaal zó (doet zijn beste Jack Nicholson in The Shining) en er staat een bloeddruppel bij de mug. Nou, zo zien ze er echt niet uit hoor. Een mug heeft nou eenmaal bloed nodig, daar kan hij ook niks aan doen, een vlieg doet al helemaal niemand kwaad en een mot! Dat is net een vlinder! Waarom wil je die nou doodspuiten??!!’

Zijn volume heeft inmiddels een dusdanige hoogte bereikt dat ze drie kassa’s verder opkijken wie zich zo staat op te winden. ‘En dan de mieren! Die zijn hartstikke nuttig en die werken heel hard! Die staan op de verpakking of ze zware criminelen zijn! Ik vind het HEEL ONEERLIJK!’

Ja, hij heeft zeker weer wat bijgeleerd, in de supermarkt. Maar ik betwijfel of ik hem de volgende keer op een pak melk kan uitsturen…

Trick or treat

halloween snoepVandaag heb ik al het oude Halloween snoep in de kliko gekiept. Let wel: Halloween is op 31 oktober. Dat betekent dat het snoep al vier maanden in de kast c.q. in diverse snoeppotten oud staat te worden. En als het nou nog lekker snoep was… Het is allemaal van die instant cariës troep. Gore winegum afgehakte voeten met nepbloed, kauwgom oogballen en zombie lange jannen. Blegh!

In Amerika was Anne’s favoriete feestdag Halloween. De pompoenen, het verkleden, het trick-or-treaten, de bergen snoepgoed, ze vond het allemaal even mooi. Ook voor de ouders was het een prima feest. Ik weet nog dat onze buren ons voor onze eerste Halloween uitnodigden om met hen mee te lopen, tijdens het trick or treaten. Met kids in vol ornaat en wij wat onwennig in hun kielzog, belden we aan. De buren kwamen meteen naar buiten om aan de tocht der tochten langs de deuren te beginnen en Bas en ik kregen een XL Starbucks beker in onze handen gedrukt. ‘To keep you warm!’, zei de buurvrouw met een vette knipoog en toen ik een slokje nam, proefde ik in plaats van koffie rode wijn. Dat ging helemaal goed komen tussen die buurvrouw en mij, wist ik toen.

Hoe dan ook, toen we weer terugkwamen in Nederland, was er geen discussie over mogelijk: desnoods schaften we Kerst en Sinterklaas af, maar Halloween moesten en zouden we erin houden. ‘Dan organiseren we het toch gewoon zelf? We nodigen vrienden uit en die komen ook verkleed en dan gaan we gewoon langs de deuren! Kom op mam, dat is leuk!’ En hoewel ik er zelf nog wel een beetje een hard hoofd in had, hoorde ik van andere moeders dat er bij hun in de buurt (weliswaar in wisselende mate van enthousiasme) ook Halloween werd gevierd. Een vriendin die in Rotterdam woont, vertelde zelfs dat de hele buurt bij haar mee doet. De huizen en tuinen worden tot ware spooktaferelen omgetoverd, moeders staan avonden achtereen in de keuken om de beste griezelhapjes in elkaar te draaien, kortom, ook in Nederland kan dat allemaal gewoon.

Als het eenmaal zover is, nodigen de kinderen vriendjes en vriendinnetjes uit, volgens goed Amerikaans gebruik eten we pizza en erna: erop uit! Bij het eerste huis waar we aanbellen, doet een mevrouw verbaasd de deur open: ‘Wat zien jullie eruit! Oh wacht, is het Sint Maarten? Dan moeten jullie een liedje zingen, toch?’ Verbouwereerd kijken de kinderen mij aan. Waar heeft dat mens het over? Verontschuldigend zeg ik: ‘Ehm, nee, haha, het is Halloween. Dat is een Amerikaanse traditie. U weet wel, trick or treat? Dan komen de kinderen om een snoepje vragen.’ Het gezicht van de buurvrouw betrekt en haar mond maakt een zuinige streep: ‘Nee, dat ken ik niet. Nou, jullie zien er mooi uit hoor, dáág!’ De kinderen staren nog een tijdje naar de dichte deur en ik zeg: ‘Kom op, die kende het gewoon niet, we gaan naar de volgende!’ De volgende buurvrouw weet wel wat Halloween is, ‘maar daar heb ik geen rekening mee gehouden hoor… oh, wacht even!’. Ze loopt naar de keuken en komt terug met een rol Maria kaakjes. ‘Dan moeten jullie die maar onderling verdelen, dat kan ook, toch?’

Gelukkig zijn er ook mensen die wel snoep in huis hebben en net doen of ze bang worden van hoe de kinderen eruit zien. Een vriendje van Daan heeft een Scream masker op, dat er inderdaad behoorlijk eng uitziet, maar waardoor hij zelf ook bijzonder weinig ziet in het donker. Bij elke plantenbak en uitstekende stoeptegel probeer ik hem te waarschuwen, maar om de vijf minuten horen we toch een gedempt ‘Mmpff’, als hij een stenen sierkonijn over het hoofd heeft gezien of een afstapje mist.

Na verloop van tijd komen we een collectant tegen. ‘Zijn jullie al bij de waterbak geweest? Daar wonen mensen die heel teleurgesteld waren dat ik kwam collecteren, die hadden kinderen verwacht!’ Yes! De kinderen stormen richting waterbak (terwijl ik het vriendje nog net voor een nat pak kan behoeden), maar bellen eerst bij het verkeerde huis aan. In de keuken zie ik een mevrouw met haar ogen rollen. Ze doet open en zegt, niet geheel onvriendelijk maar toch met licht geïrriteerde ondertoon: ‘Jullie moeten bij de buren zijn. Die komen uit Amerika, die vinden het wél leuk…’ En terwijl de kinderen inderdaad bij de buren prachtige spooklollies in ontvangst mogen nemen, begin ik de hele exercitie steeds gênanter te vinden.

Wie heeft dat eigenlijk bedacht, dat je je kinderen langs de deuren stuurt om snoep te gaan vragen? Het voelt hier in het calvinistische, nuchtere Nederland, zonder die uitbundige Amerikanen, de prachtige, alom aanwezige versieringen en de kracht van de aantallen, totaal misplaatst. Als klap op de vuurpijl doet bij de volgende deur een mevrouw open, die zegt: ‘Wij geloven in de Here Jezus en níet in Halloween!’ Nou mevrouw, u haalt me de woorden uit de mond. Want hoewel ik dan weer niet in de Here Jezus geloof, begin ik ook steeds minder te geloven in Halloween. Geef mij Kerst en Sinterklaas maar. Vreemd genoeg houden we daar ook nooit snoepgoed van over…

 

 

Iemand de hand boven de rookworst, eh… het hoofd houden

unox-gelderse-rookworst-50093027

‘Weet je wat ik een leuke reclame vind?’ We zitten aan de ontbijttafel en Anne stopt de laatste hap boterham naar binnen. ‘Nee?’ ‘Die van de Unox, met die opa en het schaatsen.’ ‘Die ken ik niet.’ ‘Wacht effe.’ Ze pakt haar telefoon, zoekt de reclame op en laat me hem zien.

Een opa en zijn kleinzoon gaan schaatsen. De opa neemt een stoel mee voor zijn kleinzoon. Ze gaan het ijs op, de kleinzoon gaat zitten op de stoel, de opa bindt hem zijn schaatsen onder en doet dan zijn eigen schaatsen aan. Hij zet zijn kleinzoon achter de stoel en die schaatst er vandoor. Opa probeert hem bij te houden, maar je ziet dat zijn stramme ledematen niet meer willen wat opa wil. En hij valt. Kleinzoon kijkt om en schaatst terug. Al gauw schaatst opa achter de stoel en de kleinzoon schaatst naast hem de sterren van de hemel. Weer thuis vraagt mamma onder het eten: ‘En, ging het, met die stoel?’ Het mes van opa hangt net boven de rookworst (want er wordt natuurlijk stamppot gegeten) en hij blijft even in de lucht hangen. Opa en kleinzoon kijken elkaar aan en kleinzoon knikt enthousiast: ‘Ja… heel goed zelfs!’ Tegelijkertijd klinkt het welbekende Unox harmonicamuziekje (tudududuuuu tududuuuuu) en snijdt opa een fors groter stuk rookworst af dan waar zijn mes eerst boven hing.

Knap toch, hoe ze met een combinatie van beelden, muziek en gevoelens van nostalgie het zelfs met een reclame voor elkaar krijgen, dat ik volschiet. Damn you hormones!!

’s Middags krijg ik een appje van Anne.

  • Mag ik vanmiddag bij Hannah afspreken om aan aardrijkskunde te werken en kunnen jullie mij dan komen halen met m’n fiets in de achterbak?
  • Nou, in mijn auto gaat dat niet passen, maar misschien wil pappa?
  • Pappa is met de bus vandaag
  • Oh ja. Dan gaat het niet.
  • Jaaa, dat kan je niet doen, ik heb het nu al afgesproken!!

Ze is twaalf. Ik ben echt zo benieuwd hoe vaak ik nog tot tien zal moeten tellen, voordat we aan de overkant van de puberteit zijn… Maar goed, na wat heen en weer bellen, de moeder van Hannah die aanbiedt om haar thuis te brengen en een planning die uiteindelijk totaal anders loopt dan ik aan het begin van de dag heb bedacht, ga ik haar toch om zes uur met Bas z’n auto halen.

Nu hebben we haar nieuwe fiets nog nooit achterin gehad, dus het is even kijken hoe dat gaat. Eh… niet, eigenlijk. Het gaat niet. En het is moeilijk om toe te geven, maar als iets niet lukt, dan komen mijn allerslechtste karaktereigenschappen naar boven. Vraag maar aan Bas, toen hij probeerde mij te leren skiën. Echt, ik bijt je kop eraf, als je bij me in de buurt staat en iets, dat in ieder anders boekje een fluitje van een cent is, míj dan natuurlijk net weer niet lukt. Ik ga schelden, stampvoeten en maak het liefst dat waar ik mee bezig ben, he-le-maal kapot.

Dus die fiets… tsja… Met het voorwiel eerst erin gaat niet. Met het achterwiel eerst bijna, maar dan kan de klep niet dicht. We worden gered door het feit dat Hannah erbij staat (zo’n nieuw vriendinnetje in Anne’s nieuwe klas wil je toch niet metéén een filterloos inkijkje in je ware ik geven), anders hadden de buren vast achter de gordijnen gaan staan kijken wie daar zo’n stennis staat te schoppen op straat. Want ook nu zijn de ‘allemachtig, dat méén je toch zeker niet!’, ‘nee, kijk nou uit, zo gáát het niet!’ en ‘dit is dus meteen de LAATSTE keer dat we dit gedaan hebben, voortaan ga je maar fietsen!’ niet van de lucht. Met als enige aantoonbare schade een afgebroken batterijdisplay, kunnen we uiteindelijk met een slakkengang (want halfopen achterklep) richting huis.

Aan tafel vraagt Bas: ‘En, ging het, met die fiets?’, waarop Anne zegt: ‘Nou, eigenlijk niet, want hij paste niet zo goed achterin…’ En Bas, met nauwelijks verholen leedvermaak: ‘Oh, dat was zeker wel gezellig dan, met mamma? Of kon ze zich een beetje inhouden?’ Anne en ik kijken elkaar aan, ze laat een denkbeeldig mes in de lucht langs een denkbeeldige rookworst op haar bord gaan, zegt tegen Bas: ‘Ja hoor, dat ging heel goed zelfs!’ en neuriet daarna: ‘Tudududuuuuuu, tududuuuuu….’

Echt heel raar

Double_Otropo.141607
Ik word oud. Of eigenlijk: mijn kinderen worden oud en ik steek daar een soort van nóg ouder bij af. Vanmiddag ging ik met Anne winkelen en meteen ook een kaartje kopen voor de buurvrouw. Bij de kaartenwinkel zien we een heel leuk kaartje, waarvan ik denk: dat is leuk voor Anne om naar d’r vriendin te sturen. Dus ik zeg: ‘Kijk eens wat een grappige kaart! Die is leuk, moet je naar Floor sturen!’ Anne kijkt, lacht en knikt. Ik ga verder met een kaart voor de buurvrouw uitzoeken en als ik er eentje heb gevonden, zie ik dat Anne de kaart die ik zo leuk vond, niet heeft gepakt. ‘Wil je die niet naar Floor sturen?’ ‘Jawel, maar ik heb m’n telefoon niet bij me.’

Het duurt net even te lang voor ik begrijp dat ze er een foto van wil maken en die wil appen. ‘Néé, ik bedoel gewoon kópen en opsturen, je weet wel, met een postzegel.’ Verdwaasd kijkt ze me aan, maar ze herstelt zich: ‘Ja, dat kan natuurlijk ook.’ Ze zoekt er een leuke sleutelhanger bij uit om mee te sturen en we rekenen af.

’s Avonds gaan we, in het kader van de kerstvakantie, naar de bios en uit eten. En omdat we de TGIF (Thank God It’s Friday)-achtige diners uit Amerika een beetje missen, hebben we bedacht dat het wel leuk is om naar het Breakaway Café te gaan. Want: vlakbij de bioscoop, lekkere burgers en voor pa en ma nostalgie. Toen we net verkering hadden, gingen we daar weleens poolen en heb ik Bas verleid met mijn decolleté. Maar dat hoeven de kinderen natuurlijk niet te weten.

Destijds kwam je altijd aan de Weena kant naar binnen, waar de bar zit. Door diezelfde ingang komen we nu ook naar binnen en dat voelt toch wat ongepast, met twee kinderen van tien en twaalf… Je ziet al die vroeg-twintigers enigszins verstoord opkijken van hun happy hour mojito: wat doen die ouwelui hier met hun kinderen? Een vriendelijke serveerster helpt ons door de meute heen naar de achterkant van het etablissement, waar de eettafeltjes staan, terwijl ik Daan achter me aan trek, die zich luidkeels afvraagt waarom we tussen de dronken mensen gaan eten. Bij ons tafeltje aangekomen, blijkt er daar ook een ingang te zijn, aan de kant van het overdekte winkelplaza. Note to self: als we hier nog eens komen, beter deze dus…

Als we zitten, vertel ik aan Bas over de kaart en dat Anne er een foto van wilde opsturen. Anne kijkt me geïrriteerd aan (ik zou natuurlijk ook beter moeten weten dan zo’n awkward moment ook nog eens aan haar vader door te vertellen) en zegt: ‘Ja, dat is écht heel ongebruikelijk hoor, om een kaart te kopen en met de post op te sturen. Dat doet niemand.’ ‘Nou, vroeger wel hoor en ik doe dat nog steeds.’ ‘Ja, dat jij nou onder een steen vandaan komt.’ Oef. Ze zegt het net iets zachter dan de zin ervoor en kijkt me aan in afwachting van een betoog over de toon die je tegen je moeder hoort aan te slaan. Ik besluit het te laten gaan, als goedmaker voor het überhaupt erover beginnen.

Dan de menukaart. Anne is sinds twee jaar vegetariër en voor haar staat er niet veel op de kaart, behalve een vegaburger. Die zijn niet overal even lekker, dus meestal zoekt ze een alternatief. Laten we tussendoor even een korte poll houden. Als het volgende op de menukaart staat: Ceasar on a Bun – grilled, Ceasar styled bun, with fried egg, fresh lettuce, bacon, Parmesan cheese and the classis Ceasar dressing, wie denkt er dan dat er een kipfilet op dat broodje zit? Wij in ieder geval niet, dus Anne bestelt bij de serveerster dit broodje, ‘maar graag zonder bacon, want ik ben vegetariër.’

Komt er even later een andere serveerster met onze maaltijden, die zegt: ‘Voor wie was de kipburger?’ ‘Eh, voor niemand.’ ‘Ik heb hier op jullie bon een Ceasar on a Bun staan.’ ‘Ja, maar daar zit toch geen kip op?’ ‘Jawel.’ ‘Nou, die is dan voor haar, maar mag de kip er dan vanaf? Zij is vegetariër.’ ‘Ja hoor, dat is goed.’ Ze loopt weg, mikt in de keuken de kipfilet in de vuilnisbak (althans, dat vermoed ik) en komt met hetzelfde broodje weer terug. Intussen heb ik de menukaart erbij gepakt en zeg: ‘Kijk, hier staat niet bij dat er kip op zit hoor.’ ‘Ja, er staat Ceasar styled bun. Op onze Ceasar salade zit ook kip, dus ik denk dat iedereen dan snapt dat er op de burger ook kip zit.’ Ze schampert: ‘Er is echt niemand die denkt dat er dan alleen bacon op zit.’ Dus ik kaats terug: ‘En gebakken ei. Ik vind dat echt niet zo gek hoor.’ En zij: ‘Nou, ik vind dat echt heel erg raar, maar goed, het is zo opgelost.’

Verbouwereerd blijven we achter. En Anne zegt: ‘Dat mag je als serveerster toch helemaal zo niet zeggen, tegen je klanten, dat je ze raar vindt?’ Damn straight dat dat niet mag. Ben ik gelukkig toch niet zo oud, dat ik dat als enige vind.

 

 

Als het einde komt

Single-Candle-Wallpaper-520x325

Als het einde komt
En als ik dan bang ben,
mag ik dan bij jou?

Claudia de Breij zingt door de speakers en de tranen stromen over mijn wangen. Aad is dood. Die lieve Aad, het oudste lid van ‘onze’ judoclub. Er is niks van mij bij hoor, die judoclub, maar des te meer van Bas en daardoor ben ik er ook onlosmakelijk mee verbonden. Aad was de jongste oude man die ik ken. Die pretogen, waardoor je altijd het idee kreeg dat hij je in de maling nam. En ook of hij een beetje met je aan het flirten was. Je zou willen zeggen: op z’n oude dag, maar Aad is altijd ergens rond de 65 blijven steken, voor m’n gevoel. Tot zijn 79e heeft hij actief aan judo en aikido gedaan en daarnaast stond hij altijd als vrijwilliger paraat bij toernooien en om te helpen met klussen in de dojo. Boordevol energie, niet te stoppen. Een half jaar geleden heeft hij kort achter elkaar twee hersenbloedingen gekregen en na een moeilijke strijd is hij nu dan toch overleden. Zijn uitvaart was vorige week vanuit de dojo, zoals hij zelf graag wilde.

Wat is dat toch met een uitvaart, dat je vrijwel altijd, naast het verdriet om de overledene, ook over je eigen sterfelijkheid na gaat denken en vooral over die van de mensen waar je van houdt? Als voorzitter van de club heeft Bas ook gesproken tijdens de plechtigheid en mijn god, wat was ik trots op hem… Mijn rots, waar ik altijd bij mag, om te schuilen en te huilen. Het verdriet van Aad z’n dochters en zijn vrouw was bijna tastbaar. Knap, hoe zij hun vader toespraken, met een lach en een traan, ik weet zeker dat hij heel erg trots op hen was geweest. En ook bijzonder om te merken wat een fijne band die dames hadden met hun vader.

Het laatste nummer tijdens de plechtigheid was The show must go on. En dat ging het, want een week later stond er alweer een groot toernooi gepland bij de club. We hebben Aad gemist, achter de wedstrijdtafel. Ook aan het thuisfront gaat the show on, want Anne is jarig. En wie bij ons jarig is, krijgt ontbijt op bed en daar wordt voor gezongen. Met geroosterd brood met duo penotti, een beker optimel en drie brandende waxinelichtjes om uit te blazen (waarom het er altijd drie moeten zijn, weet ik eigenlijk ook niet), lopen Bas, Daan en ik ‘lang zal ze leven’ zingend haar slaapkamer binnen. Bas doet er een gek dansje bij en Anne krijgt de slappe lach. Er schiet een ander liedje in m’n hoofd, Kees, van Acda en De Munnik, over een gezin waarvan de vader overleden is. De zanger is de buurman van het gezin en het is een jaar geleden dat de buurman is overleden. De zanger mist zijn vriend, ziet dat zijn rozen niet voldoende besproeid worden en realiseert zich dat het leven gewoon doorgaat. De laatste zinnen van dat lied gaan altijd door merg en been bij mij:

En verder hoorde ik zo-even
Hiernaast het lied ‘Lang zal ze leven’
Geweldig, naar ik vrees, Kees…

Gelukkig wordt mijn door een dikke keel valse gezang overstemd door Bas en Daan en het gegiechel van Anne. En ik voel me dankbaar.