Beter een goede buur…

Artistic Neighbour House

Toen wij net naar Amerika waren verhuisd (en dus ook net in ons nieuwe huis kwamen wonen), waren wij blij verrast door de gastvrijheid van de buren. De ene na de andere kwam met zelfgebakken cake (vaak nog warm), koekjes en ander lekkers aan, een mandje met een fles wijn en zelfs kadootjes voor de kinderen. Goh, dachten wij, wat attent. Dat zie je in Nederland niet veel!

De enige buren die we na een maandje of twee nog niet hadden ontmoet, waren onze naaste buren aan de linkerkant. Van een andere buurvrouw had ik al gehoord dat het een wat oudere mevrouw was, die haar man een tijdje geleden had verloren en dat ze niet meer zoveel buiten kwam. Dus toen ik haar een keer aan zag komen rijden toen ik zelf ook net de deur uit ging, maakte ik even een praatje. Ze was met haar dochter, die vertelde dat ze een paar straten verderop woonde en dat ze vaak bij haar moeder langs ging. Mochten hier dus al Florence-Nightingaleachtige neigingen bij mij opgeborreld zijn, dan werden deze ter plekke de kop ingedrukt. Voor deze mevrouw werd goed gezorgd.

Deze indruk werd nog eens bevestigd toen het die winter ongenadig ging sneeuwen. Elke keer als er weer zo’n dik pak gevallen was, kwam haar zoon, die blijkbaar ook in de buurt woonde, haar paadje sneeuwvrij maken met een snowblower. Het enige jammere was, dat hij dit steevast deed als het voor onze kinderen bedtijd was. En een herrie dat zo’n ding maakt! Alsof ze met een kettingzaag bezig zijn. Dus na de derde keer bleke gezichtjes in pyjama in de woonkamer (mam, ik kan zo écht niet slapen hoor), besloot ik eens door de gordijnen te gluren of het al een beetje vorderde. Zag ik dat die blower daar gewoon onbemand stationair stond de draaien! En 10 minuten later nog! Tsja en als dan ook de nachtrust van mijn bloedjes er nog onder te lijden heeft…

Kortom, ik trok mijn sneeuwlaarzen en jas aan, capuchon op (want het sneeuwde nog steeds heel hard) en ploegde door de kniehoge sneeuw naar de plek des onheils. Wat bleek? De buurman was nog steeds niet terug en die &$^%@#>? blower stond nog steeds aan. Even kreeg ik de neiging om naar de uitknop te gaan zoeken, maar daar verscheen de buurman weer ten tonele. Toen hij mij in de smiezen kreeg, deinsde hij achteruit. Arme man. Met m’n zwarte jas en capuchon op zag ik er waarschijnlijk meer uit als Magere Hein dan een vriendelijke buurvrouw. Maar hij herpakte zich en schreeuwde boven de blower uit: Hi, can I help you? Ik loeide terug: Hi, I live next door, I was wondering if everything is okay here, since I saw your blower just standing here running but nobody operating it! (Met onderliggende hint: zet dat klereding even uit als je naar binnen gaat). Maar ja, een man hè, dus mijn subtiele hint ging totaal aan hem voorbij toen hij terug brulde: Oh, that’s very kind of you, but we’re fine here, I just went in to go to the bathroom!!’ Ik had best mijn hele verdere leven zonder die informatie gekund, eigenlijk.

Afijn, het bleef maar sneeuwen en wij zagen de auto van de buurvrouw steeds verder ondergesneeuwd raken, naarmate de winter vorderde, op een gegeven moment zelfs helemaal tot aan het dak. We zeiden nog tegen elkaar: Ach ja, ze zal niet graag autorijden in de winter. En op een dag zag het zwart van de auto’s in de straat en was het een drukte van belang bij de buurvrouw thuis. Hee, die is vast jarig, dacht ik. Wat leuk zeg, zoveel kleinkinderen en familie op bezoek.

In het voorjaar ging Anne bij het overbuurmeisje spelen en toen haar moeder haar thuisbracht, vroeg ik naar het verkoopbord bij hen in de tuin, ik wist niet dat ze verhuisplannen hadden. ‘Ja’, zei ze, ‘en het huis naast jullie zal ook binnenkort wel in de verkoop gaan hè?’. En ik in al mijn onnozelheid: ‘Hoezo, gaat de buurvrouw naar een verzorgingshuis ofzo?’. ‘Nee’, zei zij, ‘die is twee maanden geleden overleden!’

Bleek haar verjaardag haar uitvaart te zijn geweest. Bam! Die had ik niet zien aankomen. Achteraf klopt het ook wel, want die snowblower had ik al een tijdje niet meer gehoord, terwijl het toch echt nog wel fors gesneeuwd had. En die volledig ondergesneeuwde auto was ook meteen verklaard. Nu kan ik helemaal los gaan over de individualisering van de samenleving, maar tegelijkertijd weet ik dat de dingen soms nu eenmaal zo gaan. Ik dacht alleen echt dat mij dat nooit zou overkomen, je buurvrouw al twee maanden dood zonder dat je daar vanaf weet. Maar ik ben bang dat ik me dit keer niet kan verschuilen achter ‘dat gebeurt alleen in Amerika’. Dat gebeurt gewoon waar je zelf bij bent.

De keuzes die je maakt

treinspoor

‘Soms kies je de langste weg en je vindt ’t naast de deur, soms heb je te ver gezocht, maar het antwoord schijnt in al z’n kleur.’ Is uit een liedje van Van Dik Hout. Prachtig, altijd al gevonden. Deze week werd ik ineens onverwacht ook geconfronteerd met keuzes die ik heb gemaakt. We moesten naar het Nederlandse consulaat in New York omdat Daan z’n paspoort bijna verloopt. En hoewel we ervan overtuigd zijn dat hij inmiddels met gemak voor een Amerikaan door kan gaan (… and then I was like, no Cole, you have to kick the ball that way and then Cole was like, no way man, and then I went like, really??…) willen we hem toch wel graag weer mee terug nemen naar Nederland volgende zomer, dus, op naar de vaderlandse vertegenwoordiging in den vreemde.

Honderd jaar geleden heb ik ook voor het ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt en ik was aangenomen als overplaatsbaar ambtenaar. Dat was niet wat ik altijd al had willen worden natuurlijk. Ik wilde eigenlijk ballerina worden. Bleek ik na een paar jaar helemaal geen talent te hebben. Of het juiste postuur. En holy shit wat deden die spitzen zeer! Ik ben er nu nog van overtuigd dat de balletjuf heeft gedacht: laten we dat kind in godsnaam maar op spitzen doen, kijken of het kwartje dan eindelijk valt. Nou, ik kan je vertellen, hij kwam binnen als de jackpot…

Nadat ik de jaren daarna nogal ambitieloos in het leven had gestaan (mijn leraar Economie verleiden was eigenlijk het enige dat telde in die jaren, arme man…), kwam aan het einde van de middelbare school uit de beroepskeuzetest dat ik iets met talen, dienstverlening of gastronomie moest gaan doen. Een mooie combinatie van die drie was de hotelmanagementschool. Niet gehinderd door enige kennis van zaken, meldde ik me aan in Maastricht en Den Haag. Het selectiegesprek ging ongeveer zo.

– ‘Waarom wil jij in het hotelwezen werken?’
– ‘Nou eh, dat lijkt me wel leuk.’
– ‘Hoe denk je over ’s avonds en ’s nachts werken?’
– ‘Geen probleem!’
– ‘En later, als je bijvoorbeeld kinderen hebt?’
– ‘Ja, dan wordt het natuurlijk een ander verhaal!’

Om een lang verhaal kort te maken, ze hadden een karrevracht aan kandidaten die er wel klaar voor waren.

Na nog een paar omzwervingen en twee jaar Schoevers kwam ik uiteindelijk bij het ministerie van Buitenlandse Zaken terecht, als afdelingssecretaresse. En overplaatsbaar dus. Dat wil zeggen dat je elke twee jaar naar een ander land kan worden uitgezonden. Wat een avontuur leek me dat! Heel de wereld zien! Mensen van verschillende culturen leren kennen! Ik zag me al op een compound in Nairobi op een feest bij de ambassadeur op het balkon staan, uitkijkend over grazende olifanten. De eerste twee jaar moest ik jammer genoeg in Den Haag werken, maar daarna lag de wereld aan mijn voeten!

En toen kwam Bas voorbij. Juist. Die was ook net aan zijn carrière begonnen en had een studie van 8 jaar in het vooruitzicht. Niet handig om dan naar het buitenland te verhuizen. We hebben nog overwogen of ik overplaatsing naar Brussel, Parijs of Londen zou aanvragen, dat kon toch ook best werken? Wat, of eigenlijk, wie uiteindelijk de doorslag heeft gegeven voor mij om niet te gaan, was de secretaresse van de staatssecretaris. Een ontzettend lieve vrouw van tegen de zestig, die haar hele leven op ambassades over de hele wereld had gewerkt. Zoveel mooie ervaringen, zoveel geleerd en gezien en toch… Nu woonde ze alleen in een flat in Den Haag met alleen haar poezen als gezelschap. Ik heb gekozen voor de liefde.

Tsja en daar stonden we dan van de week, de kinderen en ik, bij het Nederlandse consulaat in New York. Grappig, hoe je je daar altijd een romantische voorstelling van maakt. Kroonluchters, antiek houten meubels, fluwelen bekleding, gouden ornamenten, dames in mantelpak en mannen met sigaren. Maar het was gewoon een kantoor. Op de 18e verdieping van een doorsnee kantoorpand. Met een heuse kantoortuin. Waar een Nederlandse dame in spijkerbroek met zwaar Amerikaans accent mij heel vriendelijk te woord stond, terwijl Willem-Alexander en Maxima vanaf de plastic scheidingswand lachend toekeken. Ik zei nog tegen haar: ‘Wat leuk, om hier te zijn, ik ben ook ooit overplaatsbaar ambtenaar geweest, maar het is uiteindelijk nooit zover gekomen.’ ‘Echt waar?’, zei ze, ‘wat toevallig. En nu woon je dan toch in het buitenland!’

Ja, verrek, het is wel zover gekomen. En zo is deze deur die ik had gesloten, via een omweg toch weer opengegaan. Van Dik Hout, eat your heart out!

Ingeburgerd?

pop

Ik denk dat ik er ben.  Ingeburgerd, gewend, geacclimatiseerd, hoe je het ook noemen wil. We wonen nu 1 jaar en 7 maanden in Amerika en ik verbaas me eigenlijk niet meer zo. Vreemd eigenlijk, hoe je zonder blikken of blozen langs rijtjes van boter gemaakte kalkoenen kan lopen in de supermarkt. Of een drie meter hoge kartonnen ‘headless horseman’, volgestouwd met kilo’s en kilo’s Halloween snoep niet meer dan een blik waardig gunt.

Poppenwinkels die behalve poppen en poppenkleertjes ook kinderkleding verkopen. Dezelfde kleding als de poppenkleertjes wel te verstaan, maar dan in kindermaten, zodat je dochter dezelfde outfit aan kan trekken als haar pop. En dat daar op een doorsnee zaterdagmiddag om drie uur 30 man in de rij staan voor de kassa. Heel gewoon allemaal, inmiddels.

Dat er pizza met ijs wordt geserveerd tijdens de lunch op school en dat er moeders zijn die hun kind dan óók nog een zakje chips meegeven. Of dat er een vriendinnetje van Anne komt spelen en die zegt: ‘Ik heb dorst, wat heb je te drinken?’. Ik kijk er niet meer van op.

Best jammer, dat die fase van verbazing en verwondering nu voorbij is. Daarom is het maar goed dat we over 9 maanden weer naar Nederland terug verhuizen. Hoewel ik me wel zo zoetjes aan begin af te vragen of ik daar dan wel weer kan wennen. Wat is er allemaal in Nederland veranderd en wat is hetzelfde gebleven? Ik kan er soms zo naar verlangen maar ik vind het ook spannend. Zullen de kinderen weer opgenomen worden in hun klas? Straks worden ze uitgelachen of stom gevonden omdat ze een beetje raar praten. Want toen oma de afgelopen weken bij ons te logeren was, deden ze echt hun best hoor, om Nederlands met haar te praten. Maar het klonk toch ongeveer zo: ‘En toen kreeg ik een turn van de teacher omdat ik m’n hand had geraised en ik wist de goede answer!’ Pakken we ons oude leven weer op of maken we een nieuwe start? Iedereen is ruim twee jaar verder, passen we nog in het leven van de mensen waar we graag bij willen horen? En zijn de pieten nog wel zwart?

Ik hoop stiekem dat ik me in Nederland ook een beetje kan verbazen over onze vaderlandse gewoonten. Want zoals ik dubbel heb gelegen om hoe de Amerikanen soms dingen aanpakken, zo is het nog grappiger om te lezen hoe buitenlanders die in Nederland wonen óns zien. Een van mijn favoriete quotes op het blog van een Canadese moeder in Amsterdam over het fietsen in Nederland: ‘Dutch people love their gearless, rusted, chain-just-barely-hanging-on variety. Why, you ask, with the amount of biking they do? Well, we all know that practicality runs through every Dutchie’s blood. Why spend your hard-earned cash on fancy features when your unusually large thighs and lungs can do the hard work instead?!? Heck, the Dutch would even rather power their bike lights with only their leg-pumping-energy (…’cause we all know how the cost of batteries can sure add up!! ;)’

En over stamppot schrijft ze: ‘Dutch people love to mash; mash, mash, mash. Case in point, the beloved Stamppot. For those of you unaware of the stamppot, it actually combines 2 of the Dutch cooking specialties a) mashing and b) boiling. First you boil the shit out of various veggies (potatoes, carrots, etc.). Then you mash the hell out of all of them, throw a little sausage on the side, and voila, a perfect Dutch meal!’ *

Ik hoop dat we het beste van twee culturen kunnen combineren. Dat ik nog heel lang iedereen een knuffel blijf geven in plaats van die rare drie luchtzoenen. Dat ik spontaan vergeet om de hele kamer rond te gaan op een verjaardag om iedereen te feliciteren. En dat mijn kinderen het niet verleren om vreemden te groeten. Want wie wil er nu eigenlijk ingeburgerd zijn?

* Bron: Stuff Dutch People Like

Wild life

BlackBear

Voor het eerst in mijn leven woon ik ergens, waar je de kans hebt om door de natuur serieus bedreigd, dan wel het hoekje om geholpen te worden. Ik bedoel, ook in Nederland kan je, theoretisch gezien, gebeten worden door een giftige slang of aangevallen worden door een wild zwijn, maar gevoelsmatig is het engste wat je in een Nederlands bos kan overkomen nog altijd een tekenbeet.

Op een minuut of vijf rijden van ons huis is het Waldwick Environmental Center, waar je als bewoners wordt ingelicht over de flora en fauna uit de streek. Buiten zijn vossen en witte adelaars te bewonderen en binnen zijn er kikkers, konijnen, bijen, schildpadden en slangen. Je hebt lieve slangen en giftige slangen, staat er op het bordje naast de glazen bak. Helaas hebben ze allebei ringen in dezelfde kleuren: rood, geel en zwart. Handig ezelsbruggetje: red touches black: venom lack; red touches yellow: you’re a dead fellow. Lekker dan. Maar het pronkstuk van dit educatief centrum is toch wel een levensgrote zwarte beer. Het is geen echte natuurlijk en ook geen opgezette, maar een vloerkleedbeer, zo een dat als je ‘m neer zou leggen, je geheid een keer over de kop struikelt.

Beren zijn helemaal niet eng, wordt ons ter plaatse geleerd. Als je een beer tegenkomt als je door het bos wandelt, moet je een hoop herrie maken om hem weg te jagen, bij voorkeur door met potten en deksels op elkaar te slaan. Dus… Maar een fluitje, megafoon of schudden met een blikje met muntjes erin, werken ook prima. Stuk voor stuk voorwerpen die standaard meegaan in de rugzak bij ons, als we gaan wandelen, ja toch? Voor in de thuissituatie wordt aangeraden om het vuilnis achter gesloten (garage)deuren te bewaren, omdat, als er al een beer in het dorp wordt gespot, deze vaak op huisafval afkomt. Zo zag ik laatst serieus op Facebook een foto die iemand uit het dorp had gemaakt, van een beer die aan haar huis voorbij liep. Slik.

Gelukkig wordt de buurt niet alleen bevolkt door gevaarlijke dieren, maar leven er ook genoeg aaibare exemplaren in de omgeving. Ons huis grenst aan de achterkant aan een bos en daar komen heel regelmatig eekhoorntjes, chipmunks (in het Nederlands: wangzakeekhoorn, maar dat klinkt echt veel minder schattig dan ze in het echt zijn) en konijntjes uit tevoorschijn. We zien ook wel eens een wasbeer en in de helling waar ons huis op staat woont zelfs een bosmarmot, die we direct Phil hebben gedoopt, naar Punxsatawney Phil uit Groundhog Day.

En laten we vooral de herten niet vergeten. Door de ontbossing en verstedelijking van de regio worden de herten teruggedrongen in steeds kleinere gebieden, waardoor ze de tuinen van de huizen ook als voedsel zijn gaan beschouwen. Neem het ze maar eens kwalijk. Ik blijf het een fantastisch gezicht vinden. Soms staan ze wel met z’n tienen op het grasveldje aan de overkant, of ze lopen door het beekje in ons achterbos. In de winter waren de struiken dichtbij ons huis als eerste sneeuwvrij en kwamen ze zelfs zo dichtbij dat als ik een raam had opengedaan, ik ze had kunnen aaien. Prachtige beesten.

De kinderen kijken al niet meer op of om van een hert, eekhoorn of chipmunk meer of minder. Maar toen we pas geleden ineens een poes door de voortuin zagen lopen, toen had je ze moeten horen: ‘Kijk nou mam, een poes! Waar zou die nou vandaan komen?’. Grappig, dat een gewone huis-tuin-en-keuken-poes ineens een bezienswaardigheid is. Terwijl ik dacht: ‘Ga maar gauw naar huis poes. Je weet maar nooit wanneer die beer genoeg krijgt van het afval…’

Op de fiets

Fiets

Sinds een paar weken had ik het plan opgevat om met de kinderen op de fiets heen en weer naar school te gaan. Waar dit in Nederland dagelijkse kost was, zijn we hier het niveau van de gemiddelde suburb mom nog niet ontstegen. In de SUV ’s morgens met het hele zooitje en rijden maar. Met als resultaat dat ik niet alleen wegens gebrek aan lichaamsbeweging ettelijke kilo’s ben aangekomen (oké, oké, ik kan ook gewoon niet van de chocola afblijven) maar ook dat Daan nog steeds niet zonder zijwieltjes kan fietsen. En dat kan natuurlijk niet, voor een Hollandse jongen van 6.

Op de een of andere manier voel ik sinds we in de VS wonen de neiging om onze nationale gewoonten op een voetstuk te zetten. Boerenkool hoort niet rauw door de sla maar gewoon in een stamppot, bij de thee hoort een biscuitje en geen donut en wie dapper genoeg is om bij ons te komen eten, wordt bloot gesteld aan een prakje witlof of hutspot. Terwijl we dat in Nederland hooguit eens in de zes maanden aten. Het is deels vasthouden aan wat vertrouwd is en deels het evangelie van de geneugten der Nederlandsche cultuur verspreiden. Want wie lust er nou geen stroopwafels, hagelslag of paasstol? En wat is er nou Hollandser dan door weer en wind op de fiets naar school? Pas in het buitenland kom je er blijkbaar achter dat waar je vandaan komt een groot deel uitmaakt van wie je bent.

Tot nu toe is dat fietsen er echter, deels door gemakzucht, deels door een helse winter en deels door (niet onbelangrijk) gebrek aan fietsen, nog niet van gekomen en gaan ook wij, net als iedereen, met de auto naar school. Een grappig fenomeen bij het afleveren van de kinderen op school is overigens de ‘drop off zone’. Dit is een stuk stoep bij de ingang van de school, waar de moeders hun kroost uit de auto kunnen gooien, zonder zelf uit te hoeven stappen. Dit lijkt een heel snelle en efficiënte methode om van het gespuis af te komen en door te kunnen naar het werk dan wel het huishouden, maar het mooie is, dat veel moeders het op het laatste moment niet over hun hart lijken te kunnen verkrijgen en dan tóch uitstappen voor een knuffel, om te helpen met die op de stoep omgekiepte rugzak of om een laatste snottebel weg te vegen. Met als gevolg: een stoet foeterende medemoeders die niets liever willen dan aan de rest van hun dag beginnen.

Gelukkig kun je ook gewoon je auto parkeren, met je kinderen naar de deur lopen (een stukje van niet meer dan 15 meter), ze gedag zeggen en weer terug naar je auto lopen. In die tijd zijn de auto’s vaak drie plaatsen opgeschoven en kun jij met lege auto en gerust gemoed de file omzeilen.

Afijn, terug naar de fiets. Het toeval wil namelijk dat Bas deze zomer een fiets heeft gewonnen met een loterij. Het is weliswaar geen stevige Gazelle met 24 versnellingen, spatborden en kettingkast, maar je komt erop vooruit, zij het dat hij eerst een paar keer doortrapt voordat je in de gewenste versnelling zit. Dus met het begin van het nieuwe schooljaar in het vooruitzicht, besloot ik om de fietsroute naar school eens nader te bestuderen. Toen bleek eens te meer dat wandelen en fietsen weliswaar niet expliciet verboden zijn in Amerika, maar dan toch op z’n minst ontmoedigd worden. Er zijn geen fietspaden, waardoor er twee opties overblijven: fietsen op de weg of fietsen op de voetpaden (waar aanwezig).

Fietsen op de weg lijkt voorbehouden aan wielrenwaaghalzen, die voorzien van helm, sportfiets en lichtgevende kleding hun leven riskeren in naam van de sport. De minder begaafde fietsers onder ons moeten het doen met de wandelpaden, maar dat blijkt niet minder gevaarlijk. Gapende kuilen, door het asfalt heen groeiende boomwortels, over het pad hangende doornstruiken, afgewaaide takken en forse stijgingspercentages maakten deze rit op mijn huis-tuin-en-keuken fiets tot een avontuur waar je een Indiana Jones film mee zou kunnen vullen. En hier zou die arme jongen al slingerend zijn ochtend mee moeten beginnen? Ach gos… Ik zeg altijd maar zo: ’s lands wijs, ’s lands eer!