Vliegveldstress

schiphol-druk_0

“En waar is meneer B.?” De Schipholbeambte kijkt me over de rand van zijn leesbril onderzoekend aan. “Pardon?” “Meneer B. De vader van de kinderen? Waar is die?”

Het is vakantie. We gaan naar Amerika en Bas is twee dagen eerder al vertrokken, zodat hij alvast wat werkdagen under z’n belt kan krijgen, voordat wij aankomen. Hij had wel onze tickets geregeld, een tijdje terug en om kosten te besparen hadden we mijn ticket met airmiles betaald. Daarna waren de miles zo goed als op en voor de kinderen hebben we dus een gewoon ticket gekocht. Wat resulteerde in de volgende gang van zaken.

De avond voor vertrek. Ik besluit ons online in te checken. Volg keurig de door KLM gemailde link, check mezelf in en probeer de kinderen in te checken. Error: unaccompanied minors may not be checked in online. Please visit one of our service desks. Huh? Bel Bas. “Nou, dat is ook gek.” Probeert het ook online. Krijgt dezelfde foutmelding. “Tsja, dan moet je het toch morgen maar even bij de balie daar doen.”

De dag van vertrek. Ik kom (op de vrijdag voor de meivakantie, zonder dat we het wisten een van de drukste dagen van het jaar op Schiphol, het was zelfs op het nieuws…) aan bij de vertrekhal en probeer met de paspoorten bij zo’n terminal in te checken. Zelfde foutmelding… Ik trek een mevrouw in het blauw aan haar jasje om ons te helpen. Zij probeert het nog een keer met de paspoorten. Weer dezelfde foutmelding. Ze stuurt ons naar de incheckbalie voor mensen met honden en katten, buitensporig grote bagage en andere vreemdsoortige omstandigheden. “Oh, ik zie het al, dat komt omdat uw ticket met airmiles is geboekt en die van de kinderen niet. Nu denken alle systemen dat zij alleen reizen. Ik zal u alle drie inchecken.” “Fijn, bedankt. Zitten we dan wel naast elkaar?” “Nou, het is goed dat u het vraagt… Eens kijken, u zit op rij 43 en de kinderen…. Op rij 22. Dus nee, dat is niet naast elkaar.” Twee verschrikte gezichten kijken me aan. “Maarreh… daar is vast nog wel iets aan te doen, toch?” “Tsja, dat zult u dan even bij het boarden moeten vragen.”

Na ruim anderhalf uur wachten bij de bagagecontrole (met achter ons in de rij een peuter met een loopfiets. Met een bel. Die het echt héél goed doet.) komen we bij de bewuste Schipholbeambte aan. “Nou, mijn man is woensdag al vertrokken voor werk, en wij volgen hem nu om vakantie te gaan vieren.” Ik schenk hem mijn meest zelfverzekerde ‘kijk-ons-eens-in-vakantiestemming-zijn-glimlach’ en hoewel de bleke toetjes van de kinderen niet echt meehelpen (want: zitten we straks wel naast mamma en niet naast wildvreemde, dikke, snurkende mannen?), kom ik er volgens goed Nederlands gebruik zonder verdere vragen vanaf en mogen we doorlopen.

Volgende stop: het vraaggesprekje over het inpakken van de bagage. “Wie heeft uw koffers ingepakt? Heeft u uw bagage uit het oog verloren? Heeft u cadeautjes meegekregen?” En ik, met m’n stomme kop: “Nou, de kinderen hebben wel een pakketje van oma meegekregen.” Tot mijn afgrijzen zie ik op het hoofd van de goede man zich op verschillende plekken alarmbellen aftekenen. Zowel in zijn ogen, als op zijn voorhoofd, in zijn haargrens en zelfs op allebei zijn neusvleugels. Ik probeer het nog snel goed te maken met: “Ja, gewoon dropjes en M&M’s enzo hoor, en een tijdschrift. Het zit in doorzichtig folie, ik heb precies gezien wat erin zit.” Hij lijkt ook niet bijzonder veel zin in en tijd voor gedoe te hebben en vraagt aan de kinderen: “Klopt dat jongens? Hadden jullie het pakketje van oma al uitgepakt?” Vroeger had ik ze dan een onopvallend schopje tegen hun schenen gegeven, maar nu zijn ze gelukkig oud genoeg om aan te voelen dat je op zo’n vraag gewoon bevestigend moet knikken en blij moet glimlachen.

Bij de gate staat al ‘gate closing’ als we aankomen en dan moet ik het stoelendebacle nog regelen. Een hoop gehannes, een bijzonder vriendelijk echtpaar, een man die hetzelfde stoelnummer toebedeeld heeft gekregen als ik en een racistische oudere dame verder, zitten we geïnstalleerd, kunnen we op weg en denk ik dat het ergste achter de rug is.

Totdat we aan de overkant in Minneapolis door de paspoortcontrole moeten. Nu was daar altijd al een lange wachtrij voor, maar sinds Trump aan het bewind is, zijn ze nog veel minder happig op buitenlanders en kunnen we dus wéér anderhalf uur voetje voor voetje dichterbij de felbegeerde poortjes schuifelen, waarboven de Stars ’n Stripes toeziet op een streng doch rechtvaardig toelatingsbeleid. Anders dan zijn Nederlandse collega, is deze douanebeambte een stuk minder inschikkelijk. “Ma’am, where is your husband?” Ik zweer het, je zal gescheiden zijn. Of weduwe! Maar ik braaf weer m’n verhaal afsteken. “Do you have a document that states that you are allowed to travel with these children alone?” Come again? Ehm, het zijn toch ook míjn kinderen? Maar ik heb geleerd: don’t mess with Amerikaanse douanebeambten, die moet je vooral te vriend houden. Dus: “Oh, I’m so sorry, no I don’t…” Nou, dat het toch vooral een goed idee is om dat in de toekomst even zwart op wit van de vader te krijgen, want you never know, met child trafficking en al dat soort ongein tegenwoordig. En dan heb ik nog niet eens een hoofddoek. Niet respectloos bedoeld hoor, maar ik denk zomaar dat zo’n mevrouw nog meer het vuur aan de schenen gelegd zou worden.

Natuurlijk is het heel erg nodig dat vliegveldpersoneel hier alert op is en getraind wordt om verdachte situaties te signaleren. Achteraf gezien kan je dat allemaal beredeneren en is het echt niet erg om een paar extra vragen te beantwoorden en advies te krijgen hoe je in het vervolg kan voorkomen dat je je moet verantwoorden voor het op vakantie gaan met je eigen kinderen. Maar op het moment zelf, als je ook nog een vervolgvlucht moet halen… Leuk is anders.

We mogen verder en een zwaar vertraagde vlucht naar New York, een in het vliegtuig vergeten smartphone (door wie wil ik hier graag even in het midden laten…) en een vermiste koffer later, kunnen we eindelijk aan onze vakantie beginnen.

Zo moeizaam als de heenweg ging, zo vlotjes gaat de terugreis. Zo vlot zelfs, dat we op het vliegveld van Detroit een sprintje moeten trekken om de aansluitende vlucht naar Amsterdam te halen. En terwijl we daar, bepakt en bezakt, de handbagage op onwillige wieltjes achter ons aantrekkend en schoudertassen hotsend en botsend tegen m’n benen, langs de gates rennen, roept Daan naast me: “Hee mam, het is net of we in Home Alone zitten!” Ik schiet heel hard in de lach en denk bij mezelf: “Jongen, als Sandra Bullock beschikbaar is voor de hoofdrol, ga ik m’n eigen film regisseren.”

Advertenties

Het goede voorbeeld

ducksIk heb er niet zo vaak last van hoor. We hebben het goed, we zijn gezond, tussen Bas en mij zit het goed, de kinderen zijn gelukkig, onze ouders leven nog en zijn gezond. Echt, niks te klagen, want ik weet donders goed dat het ook anders kan. Maar toch hè? Soms, als ik voor de duizendste keer de placemats na het eten sta af te soppen. Of als ik de vaatwasser sta uit te ruimen. Of de bedden te verschonen. Dan denk ik: Doen we het wel goed? Doe IK het wel goed? Genieten we wel genoeg van elkaar? Geven we het goede voorbeeld? Zíen de kinderen eigenlijk wat we allemaal doen, of gaan ze op in hun eigen wereld van FIFA en Musical.ly?

Zo kwam Daan afgelopen week thuis met een inschrijfformulier voor schoolvoetbal. Dat is op een woensdag in april en ze zochten ook nog begeleiders. Gelukkig hoef je het team dan niet te trainen (god, bewaar me…), maar hoef je alleen te zorgen dat de kinderen op de juiste tijd op de juiste plaats staan. Nou, dat gaat me nog wel lukken, dus ik schreef mijn naam op het strookje. Zegt Daan: ‘Ga jij je nou opgeven als begeleider?? Goed zo, mam! Eindelijk eens wat anders dan al dat huishouden!’ En ik dacht: Echt? Wat anders dan al dat huishouden? Of ik anders nooit meehelp op school! Of naar m’n werk ga, of sporten, of met z’n allen wat leuks doen of… Ik schrok er gewoon een beetje van.

Zo ongeveer tegelijkertijd zag ik dat een vriendin op Facebook, die in Canada woont, iets leuks had gepost. Een lijst met vragen die je aan je kinderen kan stellen, om eens te horen hoe goed ze je kennen. Zoals: wat is mijn lievelingseten en hoe oud ben ik, maar ook: wat maakt me blij en wat maakt me verdrietig? Haar kinderen hadden de leukste en liefste antwoorden gegeven (What do I say a lot? En beide jongens hadden geantwoord: I love you. Dat wil je toch horen, als moeder?), dus vol goede moed onderwierp ik de kinderen op een avond bij het welterusten zeggen aan een kruisverhoor.

Daan was eerst aan de beurt.

‘Wat zeg ik vaak?’

‘Nou, als jij aan het koken bent, en het gaat niet goed, dan zeg jij vaak shit.’ Denkt nog even na. ‘Ja, dat valt me echt op.’

Hmmm, niet helemaal het begin waar ik op gehoopt had. Volgende vraag.

‘Wat maakt me blij?’

‘Iets met z’n allen doen’. Kijk jongen, daar scoor je wel punten mee, heel goed.

‘Wat maakt me verdrietig?’

‘Als wij ruzie hebben.’ Klopt als een bus, dit gaat de goede kant op.

 

Eens kijken hoe z’n zus het er vanaf brengt.

‘Wat zeg ik vaak?’

Ze grinnikt. ‘Zal ik het eerste zeggen wat in me opkomt? Ga je niet leuk vinden hoor…’

‘Nou, zeg toch maar…’

‘Hoe vaak moet ik nou nog zeggen wat we eten vanavond??’

Toch fijn, als dat het eerste is wat in haar opkomt. Niet: ik vind je lief, of: ik hou van je… Béétje jammer, dit.

‘Wat maakt me blij?’

‘De sauna.’

‘Meen je dat nou? Denk je echt dat mij dat het allerblijst van alles maakt?’

‘Ja eh, ik moest toch het eerste zeggen dat in me opkwam?’

‘Oké…, volgende vraag: wat maakt dat je trots op me bent?’

Denkt even na.

‘Je bent een doorzetter. Als bijvoorbeeld een sollicitatie niet gelukt is, ga je gewoon door naar de volgende.’

 

Yes! Dat is in ieder geval één pedagogisch aspect waarop ik goed voorleef. Victorie!

 

Maar toen ik dezelfde vraag aan Daan stelde, kreeg ik als antwoord: ‘Nou, je bent handig, niet te dik en je gaat altijd voor me winkelen, zodat ik niet mee hoef. Jij kan heel goed schoenen voor mij uitzoeken.’

 

Damn… toch nog behoorlijk wat werk aan de winkel…

 

Dood

afscheid

Afgelopen maandag was ze jarig geweest. Mijn liefste oudtante. Maar ze is er niet meer. In september 2013 is ze overleden. Vlak daarna schreef ik onderstaand verhaal. Ik heb lang getwijfeld of ik het, toen ik in 2014 aan mijn blog begon, zou posten. De eerste verhalen die er op staan, had ik namelijk ook al eerder geschreven. Steeds niet gedaan, maar vandaag doe ik het toch. Als eerbetoon. Voor jou lieve tante, we missen je nog steeds!

“Onze lieve tante Sjaan is er niet meer. Die lieve tante in dat verre Amerika die elke verjaardag een kaartje stuurde en altijd ruimte te kort kwam, op die kaartjes. Want het was zo’n lief mens dat ze, ook al kende ze haar nichtjes in Nederland eigenlijk helemaal niet zo goed, altijd hele verhalen schreef, zodat het een hele puzzel was om te kijken waar ze nu weer gebleven was, tussen alle bloemetjes en schuin langs de zijkanten van de kaart gekriebelde woorden. Ze was de vrouw van de broer van mijn oma. Na de Tweede Wereldoorlog zijn ze naar Amerika verhuisd, op advies van de dokter.  Jaap, de man van tante Sjaan, had astma en ze dachten dat de lucht in Amerika schoner was. Prachtig, zo ging dat in die tijd. En dus pakten ze hun boeltje, zwaaiden alle familie uit en gingen met twee kinderen van rond de 10 jaar op de boot naar Amerika.

En nu, ruim 60 jaar later, was ze volledig veramerikaniseerd. Haar kinderen met Amerikanen getrouwd, Amerikaanse klein- en achterkleinkinderen. Haar man jaren geleden al overleden, maar zij hield stand. Ze kon nog altijd Nederlands praten en hield nog steeds van zoute drop en haring.

Vorige maand, toen mijn zus hier te logeren was, zijn ze nog op bezoek geweest. Tante Sjaan, met haar dochter en zoon, allebei ook eind 60 inmiddels. ‘Ik word 94 in november, kan je dat geloven?’ zei ze. En behalve een Amerikaans accent, kon ik ook nog een vleugje Rotterdams horen. Ze was vergeetachtig, heeft wel dertig keer gezegd: ‘Ik ben zo blij om jullie te zien.’ Ach ja, ze wordt oud, dachten we. Totdat bleek dat een agressieve hersentumor haar zo vergeetachtig maakte.

Haar dochter belde me om te vertellen dat ze naar een hospice was overgebracht. Dat er niets meer aan te doen was. Ze vertelde dat haar kleindochter was gekomen en dropjes voor haar had meegenomen. ‘Mom’, had ze gezegd, ‘opoe gave me my first dropje and I gave her her last.’ Ik moest moeite doen om niet mee te gaan huilen.  Toen ik ophing, zei Anne: ‘Wie was dat?’ ‘Dat was tante Johanna, het gaat helemaal niet goed met tante Sjaan jongens, ze gaat dood.’ En daar kwamen dan toch de tranen. De kinderen schrokken zich een hoedje, Anne sloeg gelijk haar armen om m’n nek en zei: ‘Wil je een slokje water?’. Daan rende al naar de keuken (komt voor elkaar, dat doe ik wel!) en Anne trok een pakje zakdoeken open. Ineens realiseerde ik me dat ik dat ook altijd doe als zij moeten huilen, hup, meteen die zakdoek erbij om je neus te snuiten, slokje water. Terwijl je soms ook gewoon even lekker wil huilen. Ik nam me voor om voortaan pas een zakdoek te pakken als ze zijn uitgehuild.

Een paar dagen later kwam het nieuws dat tante Sjaan nu echt overleden was. Toen ik het aan de kinderen vertelde, schoten hun ogen gelijk omhoog naar mijn ogen, om te zien of ik misschien weer moest huilen. Toen bleek dat de kust veilig was, wisten ze eigenlijk niet zo goed wat ze moesten zeggen. ‘Ik ga nog lang niet dood’, wist Daan te verzinnen. ‘Wie gaat er eigenlijk nu als volgende dood?’ Alsof het om de volgende verjaardag ging. Ik hoop dat het echte verdriet van iemand verliezen die dicht bij je staat, hen nog lang bespaard blijft. Rust zacht lieve tante.”

Leeg nest

empty-nest-ftrMet enige regelmaat verzuchten Bas en ik tegen elkaar: ‘Fijn hè, dat ze al zoveel zelf kunnen?’. Zeker op zo’n camping zijn de verschillen goed zichtbaar tussen ouders met kinderen in de luiers en die waarvan de kinderen in de onderhoudsluwe fase zijn beland. Waar de eerste categorie ouders verhit de heuvels op en af hun peuters achterna zitten, verplicht mee het springkussen op en het zwembad in moeten en ’s avonds in het douchegebouw besluiten de volgende keer toch echt die herriestoppers mee te nemen, zie je de tweede categorie relaxed met een versnapering bij de tent / caravan / het zwembad zitten, terwijl de kinderen met dezelfde dag gemaakte vriendjes zichzelf vermaken en alleen af en toe een handje chips komen halen of om een ijsje komen vragen.

Toen wij nog in de eerste categorie vielen, keek ik altijd verlangend naar de ouders met grotere kinderen. Wat heerlijk leek me dat, uren ongestoord een boek te kunnen lezen! ’s Avonds lekker lang over de marktjes te kunnen dwalen zonder met bedtijd rekening te hoeven houden. Tot 9 uur uitslapen in plaats van om half 7 met een huilende baby de hele camping wakker maken. Maar nu moet ik toegeven dat ik het eigenlijk wel een beetje mis. Ik heb last van vervroegd legenestsyndroom.

Na het ontbijt gaat Daan de hele ochtend voetballen en Anne naar de knutselclub. Zogenaamd om de kleinere kinderen te helpen, maar ondertussen hebben we al een dromenvanger, een lampion en een bloem van propjes crêpe papier in de tent hangen. Met moeite krijgen we ze aan de lunchtafel, waarna er zo snel mogelijk gezwommen moet worden. Voor de vorm gaan we dan nog mee en met een beetje geluk komt Daan nog wel eens met een handdoek omgeslagen lekker bij me zitten op het zwembadbedje, maar verder komen we toch vooral in beeld als er behoefte is aan catering. Ik heb al drie boeken uit.

We hebben afgesproken dat de kinderen de ontbijt- en lunchafwas doen en Bas en ik die van het avondeten, dus ook onder het afwassen zien we de kinderen niet. Wél horen we ze vanaf het sanitairgebouw uit volle borst ‘It’s the hard knock life’ zingen onder de afwas, maar dan zeggen we tegen voorbijgangers altijd dat het Amerikaanse kinderen zijn die wij niet kennen.

Toen Bas en ik een keer stonden af te wassen, stond er een Nederlandse man naast ons en rondom zijn benen drentelde een allerschattigst meisje van een jaar of vier. ‘Pappa, kijk eens, hoe mooi ik kan dansen?’ Pappa stond net te zwoegen op het barbequerooster en had even geen tijd. ‘Pappa? Paaapppaaaa!!! Kijk nou even! PAPPA!!’ De pappa keek en ze maakte een mooie draai, waarbij haar zomerjurkje meezwierde in de warme zomerlucht. ‘Goed hoor’, zei de pappa, waarna hij zich weer over het rooster boog. Ik wilde zijn arm aanraken en tegen hem zeggen: ‘Laat die afwas nou even en dans met je dochter. Nu wil ze nog.’ Maar ik deed het niet.

Toen ik bij de tent het gasstel had schoongemaakt, liep ik nog even terug om het sopwater weg te gooien. Terwijl ik de vaatdoek stond uit te spoelen, hoorde ik een kind hartverscheurend huilen. Nu is dat niet ongebruikelijk vanuit het douchegebouw van een camping, maar meestal hoor je dan een vader of moeder iets terugzeggen in de trant van: ‘Nou, kom op, even de shampoo uitspoelen en dan ben je klaar’, of ‘Stoot je nou zo hard je hoofd tegen de kraan?’. Maar hier hoorde ik geen ouderlijke susgeluiden, alleen maar huilen. Ik besloot even poolshoogte te gaan nemen.

In de deuropening van een van de wc’s stond een poedelnaakt jongetje van niet ouder dan drie. Hij was rood aangelopen van verdriet en de tranen hadden witte sporen over zijn groezelige wangetjes getrokken. ‘Wat is er aan de hand?’, vroeg ik. Verschrikt keek hij me aan en ik dacht: misschien is hij wel Frans, dus ik voegde er nog aan toe: ‘Ça va?’.

‘Het lukt me niet’, zei hij met een benauwd stemmetje. ‘Wat lukt niet? Naar de wc gaan?’ ‘Nee, om mijn bi-hi-hillen af te vegen’, huilde hij verder. ‘En mijn moe-hoe-hoeder zit in de caravan en die hoort mij niet!’

‘Zal ik je anders even helpen?’ Uit ervaring weet ik dat niet alle kinderen het goed vinden als vreemde moeders hun billen afvegen en ik snap dat. Maar dit jongetje had, getuige de zon die doorbrak op zijn gezicht, de hele dag nog geen beter nieuws gehad en zei: ‘Ja.’ ‘Oké, nou, ga maar weer even zitten dan, op de wc, dan kan ik er beter bij.’ En dat deed hij. Ik veegde die kleine billetjes schoon, wachtte tot hij zijn broek had opgehesen, hielp hem met handen wassen en samen liepen we het gebouw uit.

‘Ik moet daarheen mefrouw.’
‘Oké, mijn tent staat daar, dus ik ga daarheen, goed?’
‘Oké.’
‘Doei.’
‘Doei!’

Hij zwaaide. Ik heb me in tijden niet zo nuttig gevoeld.

Angry Birds

angry_birds___chuck__yellow____super_high_quality__by_tomefc98-d5fzae7

Ik weet nu nog niet hoe het gekomen is. Op de een of andere manier leek het een goed idee. Of in ieder geval wel te doen. Maar gistermiddag was weer een keiharde reminder. Bovenaan de to-do-lijst op een vrije dag hoort te staan: BOODSCHAPPEN DOEN. Niet de winterbanden voor zomerbanden laten omwisselen bij de garage, niet de was doen en al helemaal niet een uur zitten facebooken tijdens de lunch… BOODSCHAPPEN DOEN. Terwijl de kinderen nog op school zitten dus.

In een vlaag van verstandsverbijstering was ik dit even vergeten. Dus daar stond ik dan. Om half vier. In de Plus. Met twee moegestreden kinderen op vrijdagmiddag. Eigenlijk waren ze nog verbazingwekkend goed gemutst, waardoor gelukkig het aloude Blijf nou van hem af! Niet op de wagen hangen! en Leg dat eens terug! achterwege kon blijven. Nee, mijn kinderen hebben inmiddels de leeftijd dat ze méé willen denken over de boodschappen. Een niet minder vermoeiend proces.

Het begon al met het feit dat we naar de Plus moesten en niet naar de Albert Heijn, want bij de Plus hebben ze Angry Birds. Daar kun je punten mee scoren in de klas blijkbaar en bovendien kan je ze stapelen en een zo hoog mogelijke toren maken en dat is leuk. Dus ben je een hele stomme moeder als je je vertrouwde supermarkt, waar je in een kwartier doorheen bent, niet voor een maand links wil laten liggen voor de Angry Birds supermarkt. Zo zit dat nou eenmaal, in het boodschappenuniversum.

Maar het meedenken over de boodschappen blijft helaas niet alleen beperkt tot de keuze van de supermarkt, want eenmaal binnen ging dat ongeveer zo:

  • Mam, zullen we taart nemen? Want het is toch weekend?
  • Nee, geen taart, maar jullie mogen wel koekjes uitzoeken.
  • Oh kijk mam, daar liggen stukjes perzik, mogen we die proeven?
  • Ja hoor.
  • Hee mam, wist je dat komkommers voor 90% uit water bestaan?
  • Ja, dat wist ik wel zo ongeveer.
  • Gaan we al naar de kassa?
  • Nee.
  • Mam, zullen we zo’n fles vullen met sinaasappelsap?
  • Nee.
  • Waarom niet?
  • Daarom niet.
  • Zo’n klein flesje dan?
  • Nee.
  • Waarom niet?
  • Omdat ik dat niet wil.
  • Maar waarom dan niet?
  • Gewoon, ik vind het niet nodig. Nu moet ik even nadenken over het eten van vanavond.
  • Gaan we al naar de kassa?
  • Nee.
  • We hebben echt een superleuk circuit met gym gedaan. Je moest eerst touwtje springen, toen met een basketbal tegen de muur, toen jumping jacks…
  • Weet je, ik wil het heel graag horen, maar mag het straks als we thuis zijn? Ik moet nu echt over de boodschappen nadenken.
  • OK. Hebben we siroop nodig?
  • Nee.
  • Oh, want als je iets van Karvan Cevitam koopt, kun je een siroopdispenser winnen.
  • Een wat?
  • Een siroopdispenser. Dat is handig voor als we veel kinderen op visite hebben.
  • Oh ja. Nou, doe maar zo’n klein flesje dan.
  • Jeej.
  • Gaan we al naar de kassa?
  • Nee.
  • Hee mam, jij zei toch dat we morgen patat eten?
  • Ja.
  • Zullen we dan deze nemen?
  • Nee, we hebben altijd die uit de vriezer.
  • Maar die zien er heel lekker uit!
  • Ja, maar die zijn twee keer zo duur.
  • Oh.
  • Kijk, daar staan de verzamelboeken voor de Angry Birds! Mam, doen we ook meteen zo’n boek? Dat is handig.
  • Nou, zullen we eerst eens even kijken wat het allemaal is? Dan kan zo’n boek altijd nog.
  • Oh en ze hebben ook grote pluche Angry Birds! Die krijg je met een volle spaarkaart!
  • Ja, en 5 euro bijbetalen…

Bij de kassa helpen ze lief met de boodschappen op de band plaatsen en daarna met alles in de kratten doen. Denk je dat je héél even, vijf minuutjes maar, geen vragen hoeft te beantwoorden, begint de kassière:

  • Wilt u koopzegels?
  • Nee, bedankt.
  • Wilt u Angry Birds?
  • Ja, graag.
  • Wilt u de bon?
  • Ja, graag, want we willen meedoen aan die Karvan Cevitam actie. Waar staat die box ergens, waar de bon in moet?
  • Ik weet het niet. HENK! WAAR STAAT DIE KARVAN CEVITAM BOX? Oh ja, bij het inpakpapier.
  • OK, bedankt.
  • Wilt u meesparen voor de swizzels?
  • De wat?
  • De swizzels. Dat is een kussen waar je ook een knuffel van kan maken.
  • Jaaaa mam, zo een wil ik echt al heel m’n leven!
  • Eh, nou, vooruit dan maar.
  • De spaarkaarten liggen daar.
  • OK, bedankt.

En net als ik de bon in de Karvan Cevitam box heb gestopt, de spaarkaarten voor de pluche Angry Birds én de swizzels bij elkaar heb gegrist, de kratten in de kar heb geladen, de lege flessen heb ingeleverd, een pak soja melk voor een pak amandelmelk heb omgeruild en de batterijen heb ingeleverd, staat buiten de Angry Birds maffia ons op te wachten. Uit zeven kindermonden tegelijk klinkt het ‘Heeft u nog Angry Birds??’

Ik wil gillen. NEE!!! IK HEB GEEN ANGRY BIRDS!! ZIE JE NIET DAT IK ZELF MET TWEE KINDEREN VAN PRECIES JULLIE LEEFTIJD NAAR BUITEN KOM?? STELLETJE UILSKUIKENS!! OVER EEN MAAND LIGGEN DIE ANGRY BIRDS OP JULLIE KAMERS IN EEN HOEKJE TE VERSTOFFEN!!

Maar ik zeg, keurig glimlachend: ‘Nee jongens, wij nemen ze zelf mee naar huis. Maar veel succes nog hoor, vanmiddag!’ Echt waar, hoe ik het nog uit m’n mond weet te krijgen … Ik weet het zelf ook soms niet.