Struisvogel

Ik ben een stuk gaan wandelen. Begrijp me niet verkeerd hoor, ik hou van mijn huis. Ik ben er graag. Kan zo een hele zondag lekker rondhangen. Wasjes draaien, spelletje doen, boek lezen, film kijken. Heb ik geen buitenlucht nodig. Mijn gezin? Ik lust er wel pap van. Hoe meer tijd met elkaar hoe beter. We kunnen met elkaar lachen en dreigende conflicten worden uitgepraat.

Maar nu is het even klaar. Een dag gewerkt, met Bas de hele dag al conference callend naast me. De kinderen zijn eigenlijk pas voor de tweede keer in vier weken een beetje op tijd klaar met hun huiswerk en zitten een welverdiend potje te gamen, op de TV in de huiskamer. Maar ik wil er nu even niet bij in de buurt zijn. Ik trek sowieso computerspelletjes slecht, maar vandaag heb ik extra geen zin in.

Buiten is het koud, veel kouder dan de afgelopen dagen. Ik probeer een vriendin te bellen, waar het de afgelopen tijd niet zo goed mee gaat. Ze vertelde de vorige keer dat het tussen haar en haar man niet meer zo botert. Maar ze neemt niet op. Ik luister wat muziek, tijdens het lopen, maar na een tijdje zet ik het af. Ik steek mijn koude handen diep in mijn zakken en loop mijn inmiddels vertrouwde rondje. Als er tegenliggers komen op de stoep, loop ik een stukje de straat op of houd even in om ze te laten passeren.

Anderhalve meter afstand… ik ben toch zo benieuwd hoe we straks, later, over 10, 30, 50 jaar op deze periode terugkijken. Vertellen de kinderen dan aan hun kinderen dat we een hele lente en zomer binnen moesten blijven, vanwege een virus dat corona heette? Of weten we dan niet beter dan dat onderwijs digitaal en online wordt gegeven? Dat er ooit kantoren waren waar mensen naartoe gingen om achter een computer te zitten en met elkaar te praten, allemaal om 8 uur ‘s ochtends erheen en om 17 uur ‘s middags terug, waardoor iedereen in de file stond? En dat onze kleinkinderen dan giechelen: file? Wat een raar woord!

Over het algemeen ben ik een meester in struisvogelpolitiek. Ik kijk geen journaal, lees alleen de koppen in de NOS app en verdiep me weinig tot niet in de symptomen van corona, hoeveel besmettingen er wereldwijd zijn en voorspellingen over hoe lang welke maatregelen nog van kracht zullen zijn. We leven van dag tot dag en zolang wij en de mensen waar we van houden gezond zijn, is dat voor nu genoeg. In de veiligheid van ons eigen huis, is die bubbel o zo makkelijk vast te houden.

Buiten is dat lastiger. De mensen op de stoep die je al van verre ziet aftasten: ga jij opzij of ik? De maatregelen in de supermarkt. De metershoge aanplakbiljetten aan de lantarenpalen: ‘Hamsteren hoeft niet’, ‘Koop lokaal’ en ‘Steun de horeca’. 

Ik kom bij een kruispunt en zie een wat oudere, grijze man op de fiets de autorijbaan op rijden. Er komt een auto aan en ik schrik. Wat doet die man nou? Als ik wat lage struiken voorbij ben, zie ik het. Hij maant de auto te stoppen, omdat er een moedereend met wel acht babyeendjes oversteekt. De auto stopt. De mama eend rent naar de overkant en de babyeendjes sjezen als een gek achter haar aan. De man op de fiets bedankt de automobilist en ze rijden beide verder. Als ik wil doorlopen, zie ik het aanplakbiljet op de lantarenpaal een meter bij me vandaan: ‘Let een beetje op elkaar’. Het ontroert me meer dan ik wil toegeven. Je weet wel, als struisvogel enzo…

Echt heel raar

Double_Otropo.141607
Ik word oud. Of eigenlijk: mijn kinderen worden oud en ik steek daar een soort van nóg ouder bij af. Vanmiddag ging ik met Anne winkelen en meteen ook een kaartje kopen voor de buurvrouw. Bij de kaartenwinkel zien we een heel leuk kaartje, waarvan ik denk: dat is leuk voor Anne om naar d’r vriendin te sturen. Dus ik zeg: ‘Kijk eens wat een grappige kaart! Die is leuk, moet je naar Floor sturen!’ Anne kijkt, lacht en knikt. Ik ga verder met een kaart voor de buurvrouw uitzoeken en als ik er eentje heb gevonden, zie ik dat Anne de kaart die ik zo leuk vond, niet heeft gepakt. ‘Wil je die niet naar Floor sturen?’ ‘Jawel, maar ik heb m’n telefoon niet bij me.’

Het duurt net even te lang voor ik begrijp dat ze er een foto van wil maken en die wil appen. ‘Néé, ik bedoel gewoon kópen en opsturen, je weet wel, met een postzegel.’ Verdwaasd kijkt ze me aan, maar ze herstelt zich: ‘Ja, dat kan natuurlijk ook.’ Ze zoekt er een leuke sleutelhanger bij uit om mee te sturen en we rekenen af.

’s Avonds gaan we, in het kader van de kerstvakantie, naar de bios en uit eten. En omdat we de TGIF (Thank God It’s Friday)-achtige diners uit Amerika een beetje missen, hebben we bedacht dat het wel leuk is om naar het Breakaway Café te gaan. Want: vlakbij de bioscoop, lekkere burgers en voor pa en ma nostalgie. Toen we net verkering hadden, gingen we daar weleens poolen en heb ik Bas verleid met mijn decolleté. Maar dat hoeven de kinderen natuurlijk niet te weten.

Destijds kwam je altijd aan de Weena kant naar binnen, waar de bar zit. Door diezelfde ingang komen we nu ook naar binnen en dat voelt toch wat ongepast, met twee kinderen van tien en twaalf… Je ziet al die vroeg-twintigers enigszins verstoord opkijken van hun happy hour mojito: wat doen die ouwelui hier met hun kinderen? Een vriendelijke serveerster helpt ons door de meute heen naar de achterkant van het etablissement, waar de eettafeltjes staan, terwijl ik Daan achter me aan trek, die zich luidkeels afvraagt waarom we tussen de dronken mensen gaan eten. Bij ons tafeltje aangekomen, blijkt er daar ook een ingang te zijn, aan de kant van het overdekte winkelplaza. Note to self: als we hier nog eens komen, beter deze dus…

Als we zitten, vertel ik aan Bas over de kaart en dat Anne er een foto van wilde opsturen. Anne kijkt me geïrriteerd aan (ik zou natuurlijk ook beter moeten weten dan zo’n awkward moment ook nog eens aan haar vader door te vertellen) en zegt: ‘Ja, dat is écht heel ongebruikelijk hoor, om een kaart te kopen en met de post op te sturen. Dat doet niemand.’ ‘Nou, vroeger wel hoor en ik doe dat nog steeds.’ ‘Ja, dat jij nou onder een steen vandaan komt.’ Oef. Ze zegt het net iets zachter dan de zin ervoor en kijkt me aan in afwachting van een betoog over de toon die je tegen je moeder hoort aan te slaan. Ik besluit het te laten gaan, als goedmaker voor het überhaupt erover beginnen.

Dan de menukaart. Anne is sinds twee jaar vegetariër en voor haar staat er niet veel op de kaart, behalve een vegaburger. Die zijn niet overal even lekker, dus meestal zoekt ze een alternatief. Laten we tussendoor even een korte poll houden. Als het volgende op de menukaart staat: Ceasar on a Bun – grilled, Ceasar styled bun, with fried egg, fresh lettuce, bacon, Parmesan cheese and the classis Ceasar dressing, wie denkt er dan dat er een kipfilet op dat broodje zit? Wij in ieder geval niet, dus Anne bestelt bij de serveerster dit broodje, ‘maar graag zonder bacon, want ik ben vegetariër.’

Komt er even later een andere serveerster met onze maaltijden, die zegt: ‘Voor wie was de kipburger?’ ‘Eh, voor niemand.’ ‘Ik heb hier op jullie bon een Ceasar on a Bun staan.’ ‘Ja, maar daar zit toch geen kip op?’ ‘Jawel.’ ‘Nou, die is dan voor haar, maar mag de kip er dan vanaf? Zij is vegetariër.’ ‘Ja hoor, dat is goed.’ Ze loopt weg, mikt in de keuken de kipfilet in de vuilnisbak (althans, dat vermoed ik) en komt met hetzelfde broodje weer terug. Intussen heb ik de menukaart erbij gepakt en zeg: ‘Kijk, hier staat niet bij dat er kip op zit hoor.’ ‘Ja, er staat Ceasar styled bun. Op onze Ceasar salade zit ook kip, dus ik denk dat iedereen dan snapt dat er op de burger ook kip zit.’ Ze schampert: ‘Er is echt niemand die denkt dat er dan alleen bacon op zit.’ Dus ik kaats terug: ‘En gebakken ei. Ik vind dat echt niet zo gek hoor.’ En zij: ‘Nou, ik vind dat echt heel erg raar, maar goed, het is zo opgelost.’

Verbouwereerd blijven we achter. En Anne zegt: ‘Dat mag je als serveerster toch helemaal zo niet zeggen, tegen je klanten, dat je ze raar vindt?’ Damn straight dat dat niet mag. Ben ik gelukkig toch niet zo oud, dat ik dat als enige vind.

 

 

Vliegveldstress

schiphol-druk_0

“En waar is meneer B.?” De Schipholbeambte kijkt me over de rand van zijn leesbril onderzoekend aan. “Pardon?” “Meneer B. De vader van de kinderen? Waar is die?”

Het is vakantie. We gaan naar Amerika en Bas is twee dagen eerder al vertrokken, zodat hij alvast wat werkdagen under z’n belt kan krijgen, voordat wij aankomen. Hij had wel onze tickets geregeld, een tijdje terug en om kosten te besparen hadden we mijn ticket met airmiles betaald. Daarna waren de miles zo goed als op en voor de kinderen hebben we dus een gewoon ticket gekocht. Wat resulteerde in de volgende gang van zaken.

De avond voor vertrek. Ik besluit ons online in te checken. Volg keurig de door KLM gemailde link, check mezelf in en probeer de kinderen in te checken. Error: unaccompanied minors may not be checked in online. Please visit one of our service desks. Huh? Bel Bas. “Nou, dat is ook gek.” Probeert het ook online. Krijgt dezelfde foutmelding. “Tsja, dan moet je het toch morgen maar even bij de balie daar doen.”

De dag van vertrek. Ik kom (op de vrijdag voor de meivakantie, zonder dat we het wisten een van de drukste dagen van het jaar op Schiphol, het was zelfs op het nieuws…) aan bij de vertrekhal en probeer met de paspoorten bij zo’n terminal in te checken. Zelfde foutmelding… Ik trek een mevrouw in het blauw aan haar jasje om ons te helpen. Zij probeert het nog een keer met de paspoorten. Weer dezelfde foutmelding. Ze stuurt ons naar de incheckbalie voor mensen met honden en katten, buitensporig grote bagage en andere vreemdsoortige omstandigheden. “Oh, ik zie het al, dat komt omdat uw ticket met airmiles is geboekt en die van de kinderen niet. Nu denken alle systemen dat zij alleen reizen. Ik zal u alle drie inchecken.” “Fijn, bedankt. Zitten we dan wel naast elkaar?” “Nou, het is goed dat u het vraagt… Eens kijken, u zit op rij 43 en de kinderen…. Op rij 22. Dus nee, dat is niet naast elkaar.” Twee verschrikte gezichten kijken me aan. “Maarreh… daar is vast nog wel iets aan te doen, toch?” “Tsja, dat zult u dan even bij het boarden moeten vragen.”

Na ruim anderhalf uur wachten bij de bagagecontrole (met achter ons in de rij een peuter met een loopfiets. Met een bel. Die het echt héél goed doet.) komen we bij de bewuste Schipholbeambte aan. “Nou, mijn man is woensdag al vertrokken voor werk, en wij volgen hem nu om vakantie te gaan vieren.” Ik schenk hem mijn meest zelfverzekerde ‘kijk-ons-eens-in-vakantiestemming-zijn-glimlach’ en hoewel de bleke toetjes van de kinderen niet echt meehelpen (want: zitten we straks wel naast mamma en niet naast wildvreemde, dikke, snurkende mannen?), kom ik er volgens goed Nederlands gebruik zonder verdere vragen vanaf en mogen we doorlopen.

Volgende stop: het vraaggesprekje over het inpakken van de bagage. “Wie heeft uw koffers ingepakt? Heeft u uw bagage uit het oog verloren? Heeft u cadeautjes meegekregen?” En ik, met m’n stomme kop: “Nou, de kinderen hebben wel een pakketje van oma meegekregen.” Tot mijn afgrijzen zie ik op het hoofd van de goede man zich op verschillende plekken alarmbellen aftekenen. Zowel in zijn ogen, als op zijn voorhoofd, in zijn haargrens en zelfs op allebei zijn neusvleugels. Ik probeer het nog snel goed te maken met: “Ja, gewoon dropjes en M&M’s enzo hoor, en een tijdschrift. Het zit in doorzichtig folie, ik heb precies gezien wat erin zit.” Hij lijkt ook niet bijzonder veel zin in en tijd voor gedoe te hebben en vraagt aan de kinderen: “Klopt dat jongens? Hadden jullie het pakketje van oma al uitgepakt?” Vroeger had ik ze dan een onopvallend schopje tegen hun schenen gegeven, maar nu zijn ze gelukkig oud genoeg om aan te voelen dat je op zo’n vraag gewoon bevestigend moet knikken en blij moet glimlachen.

Bij de gate staat al ‘gate closing’ als we aankomen en dan moet ik het stoelendebacle nog regelen. Een hoop gehannes, een bijzonder vriendelijk echtpaar, een man die hetzelfde stoelnummer toebedeeld heeft gekregen als ik en een racistische oudere dame verder, zitten we geïnstalleerd, kunnen we op weg en denk ik dat het ergste achter de rug is.

Totdat we aan de overkant in Minneapolis door de paspoortcontrole moeten. Nu was daar altijd al een lange wachtrij voor, maar sinds Trump aan het bewind is, zijn ze nog veel minder happig op buitenlanders en kunnen we dus wéér anderhalf uur voetje voor voetje dichterbij de felbegeerde poortjes schuifelen, waarboven de Stars ’n Stripes toeziet op een streng doch rechtvaardig toelatingsbeleid. Anders dan zijn Nederlandse collega, is deze douanebeambte een stuk minder inschikkelijk. “Ma’am, where is your husband?” Ik zweer het, je zal gescheiden zijn. Of weduwe! Maar ik braaf weer m’n verhaal afsteken. “Do you have a document that states that you are allowed to travel with these children alone?” Come again? Ehm, het zijn toch ook míjn kinderen? Maar ik heb geleerd: don’t mess with Amerikaanse douanebeambten, die moet je vooral te vriend houden. Dus: “Oh, I’m so sorry, no I don’t…” Nou, dat het toch vooral een goed idee is om dat in de toekomst even zwart op wit van de vader te krijgen, want you never know, met child trafficking en al dat soort ongein tegenwoordig. En dan heb ik nog niet eens een hoofddoek. Niet respectloos bedoeld hoor, maar ik denk zomaar dat zo’n mevrouw nog meer het vuur aan de schenen gelegd zou worden.

Natuurlijk is het heel erg nodig dat vliegveldpersoneel hier alert op is en getraind wordt om verdachte situaties te signaleren. Achteraf gezien kan je dat allemaal beredeneren en is het echt niet erg om een paar extra vragen te beantwoorden en advies te krijgen hoe je in het vervolg kan voorkomen dat je je moet verantwoorden voor het op vakantie gaan met je eigen kinderen. Maar op het moment zelf, als je ook nog een vervolgvlucht moet halen… Leuk is anders.

We mogen verder en een zwaar vertraagde vlucht naar New York, een in het vliegtuig vergeten smartphone (door wie wil ik hier graag even in het midden laten…) en een vermiste koffer later, kunnen we eindelijk aan onze vakantie beginnen.

Zo moeizaam als de heenweg ging, zo vlotjes gaat de terugreis. Zo vlot zelfs, dat we op het vliegveld van Detroit een sprintje moeten trekken om de aansluitende vlucht naar Amsterdam te halen. En terwijl we daar, bepakt en bezakt, de handbagage op onwillige wieltjes achter ons aantrekkend en schoudertassen hotsend en botsend tegen m’n benen, langs de gates rennen, roept Daan naast me: “Hee mam, het is net of we in Home Alone zitten!” Ik schiet heel hard in de lach en denk bij mezelf: “Jongen, als Sandra Bullock beschikbaar is voor de hoofdrol, ga ik m’n eigen film regisseren.”

Het goede voorbeeld

ducksIk heb er niet zo vaak last van hoor. We hebben het goed, we zijn gezond, tussen Bas en mij zit het goed, de kinderen zijn gelukkig, onze ouders leven nog en zijn gezond. Echt, niks te klagen, want ik weet donders goed dat het ook anders kan. Maar toch hè? Soms, als ik voor de duizendste keer de placemats na het eten sta af te soppen. Of als ik de vaatwasser sta uit te ruimen. Of de bedden te verschonen. Dan denk ik: Doen we het wel goed? Doe IK het wel goed? Genieten we wel genoeg van elkaar? Geven we het goede voorbeeld? Zíen de kinderen eigenlijk wat we allemaal doen, of gaan ze op in hun eigen wereld van FIFA en Musical.ly?

Zo kwam Daan afgelopen week thuis met een inschrijfformulier voor schoolvoetbal. Dat is op een woensdag in april en ze zochten ook nog begeleiders. Gelukkig hoef je het team dan niet te trainen (god, bewaar me…), maar hoef je alleen te zorgen dat de kinderen op de juiste tijd op de juiste plaats staan. Nou, dat gaat me nog wel lukken, dus ik schreef mijn naam op het strookje. Zegt Daan: ‘Ga jij je nou opgeven als begeleider?? Goed zo, mam! Eindelijk eens wat anders dan al dat huishouden!’ En ik dacht: Echt? Wat anders dan al dat huishouden? Of ik anders nooit meehelp op school! Of naar m’n werk ga, of sporten, of met z’n allen wat leuks doen of… Ik schrok er gewoon een beetje van.

Zo ongeveer tegelijkertijd zag ik dat een vriendin op Facebook, die in Canada woont, iets leuks had gepost. Een lijst met vragen die je aan je kinderen kan stellen, om eens te horen hoe goed ze je kennen. Zoals: wat is mijn lievelingseten en hoe oud ben ik, maar ook: wat maakt me blij en wat maakt me verdrietig? Haar kinderen hadden de leukste en liefste antwoorden gegeven (What do I say a lot? En beide jongens hadden geantwoord: I love you. Dat wil je toch horen, als moeder?), dus vol goede moed onderwierp ik de kinderen op een avond bij het welterusten zeggen aan een kruisverhoor.

Daan was eerst aan de beurt.

‘Wat zeg ik vaak?’

‘Nou, als jij aan het koken bent, en het gaat niet goed, dan zeg jij vaak shit.’ Denkt nog even na. ‘Ja, dat valt me echt op.’

Hmmm, niet helemaal het begin waar ik op gehoopt had. Volgende vraag.

‘Wat maakt me blij?’

‘Iets met z’n allen doen’. Kijk jongen, daar scoor je wel punten mee, heel goed.

‘Wat maakt me verdrietig?’

‘Als wij ruzie hebben.’ Klopt als een bus, dit gaat de goede kant op.

 

Eens kijken hoe z’n zus het er vanaf brengt.

‘Wat zeg ik vaak?’

Ze grinnikt. ‘Zal ik het eerste zeggen wat in me opkomt? Ga je niet leuk vinden hoor…’

‘Nou, zeg toch maar…’

‘Hoe vaak moet ik nou nog zeggen wat we eten vanavond??’

Toch fijn, als dat het eerste is wat in haar opkomt. Niet: ik vind je lief, of: ik hou van je… Béétje jammer, dit.

‘Wat maakt me blij?’

‘De sauna.’

‘Meen je dat nou? Denk je echt dat mij dat het allerblijst van alles maakt?’

‘Ja eh, ik moest toch het eerste zeggen dat in me opkwam?’

‘Oké…, volgende vraag: wat maakt dat je trots op me bent?’

Denkt even na.

‘Je bent een doorzetter. Als bijvoorbeeld een sollicitatie niet gelukt is, ga je gewoon door naar de volgende.’

 

Yes! Dat is in ieder geval één pedagogisch aspect waarop ik goed voorleef. Victorie!

 

Maar toen ik dezelfde vraag aan Daan stelde, kreeg ik als antwoord: ‘Nou, je bent handig, niet te dik en je gaat altijd voor me winkelen, zodat ik niet mee hoef. Jij kan heel goed schoenen voor mij uitzoeken.’

 

Damn… toch nog behoorlijk wat werk aan de winkel…

 

Step in de goede richting

step-aerobics “HOEVEEL SINGLE LADIES ZIJN ER IN DA HOUSE??? Eéntje maar? Nou, dan moeten alle niet-single ladies hun handen maar in de lucht doen!! Daar gaan we dames!!! Put your hands up!! Oh-oh-oh, oh-oh-oh!”

Ik stond in de sportschool. Ja. Ik. Echt. Waar ik nog niet zo lang geleden tussen de stroopwafelkruimels op m’n eigen vloerkleed lag te ploeteren, heb ik gisteren de daad bij de goede voornemens gevoegd en ben ik naar de sportschool gegaan.

Al in september vorig jaar dacht ik: dit gaat niet goed. Maar ja, om nou in september te gaan lijnen… Dan komt juist net de tijd van lekker dikke truien eraan en daar zie je toch niks onder. Bovendien hebben wij veel verjaardagen in november en december, om maar niet te spreken van al het Sinterklaaslekkers dat al vanaf half september in de winkels ligt. Tel daarbij op kerstkransjes, kerstborrels, kerstdiners, oliebollen en appelbeignets en je komt op zo’n bijna 80 kilo schoon aan de haak.

Zodra die 8 erin dreigt te komen, wordt het me allemaal te gortig. Zo in het dagelijks leven lijkt het dan allemaal nog wel mee te vallen, tot een of ander afvallig familielid een foto van je post aan de kerstdis. Holy shit, wat een onderkin! Zie ik er echt zo uit als ik lach?? En dat haar! Heb ik daardoor nou zo’n bolle kop? Dus terwijl ik me bij de schoonfamilie nog in mijn meest slank afkledende jurk durfde te vertonen, had ik het besluit al genomen: ik moet echt minder eten en weer gaan sporten.

Nu had ik van een aantal medemoeders al begrepen dat er sinds een jaar ongeveer een sportschool hier bij ons op het industrieterrein zit, die leuke groepslessen geeft. Toen ik op de website het rooster opzocht, bleek er zelfs een steples tussen te zitten. Nou wil ik niet opscheppen, maar ik ben echt een kei in steppen. Toen we nog geen kinderen hadden, deed ik dat twee keer per week bij een meisje, dat de meest fantastische choreografieën op ons losliet en daardoor ben ik nu een trained professional. Ergens in de tussentijd zijn er alleen jammer genoeg allerlei andere groepslessen veel populairder geworden, zoals zumba. Zumba heb ik dan weer nooit gesnapt. Dat wordt op een driekwartsmaat gedaan en ik was dan altijd een tel te laat. Of te vroeg. Heel frustrerend. Steps leek een uitgestorven sport waar alleen bijna- of net-veertigers met weemoed aan terugdachten. Maar deze sportschool bood het dus nog steeds aan! Ik belde en kon terecht voor een proefles.

En daar stond ik dan. Inderdaad, tussen de bijna- of net-veertigers, een enkele uitschieter naar beneden daargelaten. En één man, die later de instructeur bleek te zijn. Nou ja… man… relnicht is more like it. Voor de les zag hij eruit als Leonard uit The Big Bang Theory. Brilletje, net iets te lang haar, net iets teveel kilo’s rond z’n middel, net iets te grote boxershort en fout rood trainingsjasje. Maar zodra zijn les begon, ontpopte hij zich tot een ware Beyoncé! De bril ging af, het jackie uit en ik kon niet anders dan mee! Wat gaaf, zoveel zelfvertrouwen als die gast uitstraalde. Foute hits knalden uit de stereo en lang vergeten maar niet verleerde pasjes knalden uit mijn benen. Ik kan het nog! Wake me up before you go-go, Twilight Zone, Don’t stop the music, I wanna dance with somebody… take me home baby! Met het risico de eeuwige afgunst van de medemoeders over me af te roepen, ging ik mee in de totale over the top attitude van deze step-goeroe. Man, wat lekker! Dit wil ik minimaal elke week.

Ter compensatie zijn we vanavond uit eten geweest en heb ik twee glazen wijn en een gin-tonic gedronken. Je moet dat soort dingen wel een beetje langzaam opbouwen, natuurlijk.