Dagje uit

EHBO doos

Waarom kan een dagje uit bij ons nou nooit eens gewoon gaan? Gewoon, zoals mijn moeder altijd alles onder controle leek te hebben als we naar Drievliet of Duinrell gingen vroeger. En die had dríe kinderen. Die stopte ons met z’n drieën op de achterbank van haar Renaultje en dan liep de dag verder op rolletjes.

Of m’n schoonzus, zij is mijn lichtend voorbeeld als het aankomt op gezinsorganisatie. Toen haar jongens nog klein waren, had ze altijd extra setjes kleren bij zich. En pakjes zakdoeken. En toetenpoetsers. En een EHBO doosje. Gewoon, van die handige dingen, die ik altijd pas bedenk als we een ijsje aan het eten zijn en Daan zo ongeveer z’n hele gezicht in zijn hoorntje stopt. ‘Hadden we nou maar toetenpoetsers meegenomen’, denk ik dan. Waarna ik met zo’n uit de ijszaak meegegrist verfrommeld eenlaags servetje en een beetje spuug probeer de schade beperkt te houden. Bij nader inzien, mijn moeder had vroeger ook nooit toetenpoetsers bij zich. Getverdemme, wat vond ik dat altijd vies, als ze met spuug iets weg probeerde te halen op mijn gezicht. Gezworen om dat bij mijn kinderen nooit te doen en nu doe ik het tóch. Omdat ik best prima kan organiseren, zolang het maar niet in m’n vrije tijd hoeft.

De intentie is er altijd wel hoor. Een paar maanden geleden hadden we bedacht dat we tijdens het lange Memorial Day weekend naar Pennsylvania wilden gaan. Die kant waren we nog niet op geweest en de kinderen hadden op school gehoord over Hershey Park, een groot attractiepark dat in het teken staat van de Amerikaanse, overigens heel vieze, chocolade van het merk Hershey. Oorspronkelijk begonnen als een rondleiding door de chocoladefabriek, is er nu een pretpark, een zwemparadijs, een dierentuin en een botanische tuin bijgebouwd. De moeders die ik er op het schoolplein naar vroeg, zeiden stuk voor stuk dat de kinderen het hun ‘most happy place’ noemen. Zo ongeveer als De Efteling bij ons dus.

Afijn, wij aan het boeken geslagen en het toeval wil dat op de ‘Waldwick moms’ Facebook pagina net iemand aankondigde om Hershey Park kaartjes met groepskorting te gaan bestellen, of er iemand van wilde meeprofiteren. Tsja, waarom ook niet, dus cheque afgeleverd bij deze collegamoeder (ja echt, een cheque, internetbankieren kennen ze niet in de VS…) en een paar weken later kwam ze de kaartjes bij me langs brengen. Die pagina is echt een fantastisch fenomeen, als we weer terug naar Nederland verhuizen ga ik ook zoiets beginnen. Maar ik dwaal af. Punt wat ik wou maken, was dat ik al een maand voor vertrek de kaartje mét korting in de pocket had. Ik was best tevreden met mezelf.

Waar het helaas vaak fout mee gaat, zijn de details. We hadden voor 4 nachten geboekt op de Hershey campground, met shuttle service naar het park. Toen we op vrijdagmorgen met twee rugzakken vol zonnebrand, flessen water, snacks, fototoestel en pakjes zakdoeken (dat dan weer wel) bij de bushalte stonden, verliepen de volgende anderhalf uur ongeveer zo.

09:30 uur – Mijn telefoon en Bas’ portemonnee vergeten. Bas rent terug naar de tent.

09:40 uur – In de bus komen we erachter dat de kaartjes voor het park nog in het dashboardkastje van de auto liggen. Na overleg met de buschauffeur stappen we bij de parkingang over in de shuttle terug naar de camping. De kinderen gaan, verbolgen over zoveel ouderlijke onkunde, demonstratief zo ver mogelijk van ons vandaan zitten.

10:00 uur – De buschauffeur deelt ons mee dat ze de afslag naar de camping voorbij is gereden. Dat is haar in al die jaren nou nog nooit overkomen.

10:15 uur – We rijden de camping weer op en Bas sprint voor de tweede keer terug naar de tent. Ik besluit de kinderen even hun benen te laten strekken. In die luttele twee minuten rennen ze van een heuvel af, valt Daan op zijn knieën en maakt een sliding over het asfalt waar Christiano Ronaldo jaloers op zou zijn. Gevolg: twee open knieën en een ontroostbaar kind. De EHBO doos in de bus laat gelukkig ook te wensen over. Ben ik tenminste niet de enige zonder pleisters.

10:35 uur – Eenmaal weer bij het park aangekomen is het een ongans eind lopen naar de EHBO post, waar we door een grijzende zuster vermanend worden toegesproken. ‘Were you running?’, vraagt ze aan Daan, maar tegelijkertijd kijkt ze ons aan alsof ze wil zeggen: let dan ook gewoon op je kind!

Ja, mevrouw. Volgende keer zal ik het allemaal voor elkaar hebben. Pleisters, sinaspril, hooikoortspilletjes, toetenpoetsers, kleren zonder bloed, ik beloof het. Maar wees nu alsjeblieft gewoon een lieve zuster. Dat hebben we deze ochtend wel verdiend.

Zombies

Zombie

Ons huis ligt onder vuur. Van twee kanten zelfs. De ene vijand heet King’s Bounty en de andere Plants vs Zombies. Nietsontziend slurpen zij de hersencellen van mijn kinderen op tot er niets meer van over is. Help!

Het begon allemaal op de dag dat de vader des huizes besloot dat het een goed idee was om op zondagmiddag een computerspelletje te spelen. Zo’n spelletje dat hij voorheen niet of alleen heel zelden ’s avonds speelde, omdat je daar in de tropenjaren met twee kinderen onder de 6 gewoon geen tijd voor hebt. Het was zo’n onbewaakt ogenblik, dat je de ontbijtboel staat op te ruimen en ineens denkt: Gut, wat is het stil… Tot die noodlottige dag kon dat twee dingen betekenen. Óf ze speelden doktertje, óf er werd op het behang gekleurd. Maar nu bleek na een korte zoektocht dat er twee kinderen ademloos naar het scherm van de computer zaten te staren, waar een ridder op een paard door een soort doolhof op zoek leek naar een nog nader aan te wijzen bestemming. ‘Ehm, Bas, wat is dat voor spelletje?’ ‘King’s Bounty!’ ‘Is dat niet voor 16 jaar en ouder?’ ‘Ja, maar dat is alleen omdat het moeilijk is, niet omdat het eng is.’ ‘Ja mam, het is helemaal niet eng, en pappa probeert nu de inquisitors te resurrecten met de rune mage!’ … Huh? Hoe lang had ik eigenlijk over die vaatwasser gedaan?

Sindsdien zijn ze als junks op zoek naar een shot. De dagelijkse vragen ‘Wanneer komt pappa thuis?’ en ‘Hoe laat gaan we eten?’ hebben niets meer te maken met het verlangen naar een knuffel of honger, maar met kille berekening. Als hij om 6 uur thuis is en we eten om kwart over 6, dan hebben we nog een kwartier voor King’s Bounty! Natuurlijk gaat dat ook wel eens mis (uitgelopen bespreking, file, eten eerder klaar dan gepland) en dan is het huis te klein. ‘Ja maar mam, JIJ zei, enz.’ Aangezien ik dit een bijzonder ongezonde ontwikkeling vind, heb ik per decreet opgelegd dat King’s Bounty alleen nog in het weekend gespeeld mag worden.

En als ze dan op zondag er alweer langer dan een uur achter zitten, ik het wel welletjes vind en ze (alle drie) aan hun haren erachter vandaan moet sleuren, zijn ze echt even tijdelijk hersendood. ‘Ja maar, wat moeten we nu dan gaan doen??’ Waarop Bas altijd zegt ‘Gewoon, jezelf vermaken!’ en dan verwacht dat dat nog lukt ook.

Of deze verslaving nog niet genoeg was, stond er een paar weken geleden ook ineens een nieuw spel op de iPad. Echt waar, het heeft veel voordelen om getrouwd te zijn met een computer ‘geek’, maar een uitgebalanceerde opvoeding voor je kinderen op digitaal gebied kun je natuurlijk wel op je buik schrijven. Tot op heden is mij nog steeds niet duidelijk wat de bedoeling van Plants vs Zombies is, maar vooral Daan was op slag verkocht. En ook als het over dit spel gaat, komen er de meest onbegrijpelijke zinnen uit zijn mond, zoals: ‘In de last stance moet je de gorguana met een powie verslaan, because otherwise, the sasquash eats your brain!’ Of iets dergelijks. Vroeger ging het onder het eten nog wel eens over hoe het op school was, maar nu voel ik me de paria van de familie, in al mijn onwetendheid over emerald green dragons, cyclopsen en pea shooters.

Waar is de tijd gebleven dat ze een kwartiertje Dora keken voor het ontbijt en dan al zingend (dididididi Dora) aan tafel kwamen. Na één keer roepen. Nu duurt het eerst drie keer roepen voor het überhaupt tot ze doordringt waar ze zijn en dan worden ze nog boos ook. ‘Ja, maar dit is een hartstikke moeilijk level en we zijn bijna klaar!’

Gelukkig is de vakantie naar Nederland aanstaande. Zonder computer met King’s Bounty en weliswaar met iPad en Plants vs Zombies, maar ook met een keur aan familie, vriendjes en vriendinnetjes, zodat er wat mij betreft écht geen tijd is om alsmaar achter een schermpje te zitten. Heerlijk, vier weken zo veel mogelijk genieten van iedereen die we straks weer een jaar moeten missen. Bas vliegt na twee weken weer terug en de kinderen en ik plakken er dan nog twee weken aan vast. Wat vorige week aan tafel het volgende gesprek opleverde:

– Hee pap, als jij dan twee weken alleen thuis bent, dan mag jij geen King’s Bounty spelen hoor.
– Waarom niet?
– Ja, daar willen wij natuurlijk wel bij zijn, anders ben je al heel veel levels verder!
– En wat moet ik dan al die tijd in mijn eentje doen?
– Nou, gewoon, jezelf vermaken!

Kijk, dat gesprek kon ik dan wel weer héél goed volgen…

Kamperen

Kamperen

Poehee, het is weer achter de rug, de kampeervakantie. Tijd om bij te komen! Want waar ik het vroeger nog reuze avontuurlijk vond om in een tentje te slapen, vind ik het nu eigenlijk meer gedoe dan wat anders.

Ten eerste is kamperen eigenlijk alleen leuk als het mooi weer is. Als het regent, ben je zwaar de sjaak, zeker met die twee minitentjes van ons. Die zijn namelijk vooral om in te slapen en niet om in te zitten of te staan, om van een gezellig bordspelletje rond de tafel nog maar te zwijgen. Nou kan je natuurlijk altijd iets gaan doen, als het regent. Boodschappen ofzo. En dat je dan uit armoe nog maar wat langer op de parkeerplaats van de supermarkt blijft staan, omdat je droog zit in de auto en er WiFi is. ‘Ja jongens, het regent nou eenmaal, pak nog maar een boekje uit je tas…’ En dat als je dan uiteindelijk na een natte en koude dag besluit om een warme douche te nemen, je alsnog tussen de koude en klamme dekens moet. Wat de zin voor verdere avonturen tussen de lakens natuurlijk ook geen goed doet. Ik weet nog dat er niets spannender was dan vrijen in de tent terwijl de buren je konden horen en je dus heel stil moest zijn. Nu de buren onze eigen kinderen zijn, geeft dat toch weer een heel andere dimensie aan het geheel, die het libido danig naar beneden brengt.

Dan heb je nog de waterkwestie. De meeste kampeerplekken hebben wel een kraantje met koud water op elke plaats, maar wij hadden deze zomer precies een camping gevonden die dat niet had. En dus liepen we voor elke wissewas (letterlijk) naar het wasgebouw. Afwassen kon dan weer niet bij het wasgebouw, dat was verboden in de gootstenen daar. Ik snap dat het niet zo fris is om in dezelfde gootsteen als waar iemand z’n tanden poetst en contactlenzen schoonmaakt ook je pastapan te gaan staan afwassen, maar hoe moeilijk is het om daar een aparte gootsteen voor aan te wijzen? Nee, lekker nog een keer heen en weer naar je tent, met een teiltje getapt warm water, alwaar iedereen dan het afwaswater stilletjes in de bosjes kiept. Dat is pas fijn voor het milieu.

Deze camping was zelfs zo milieubewust, dat je met muntjes moest douchen. Een dollar voor vijf minuten warm water. Ken je dat? Dat je eerst een minuut staat te mengen voor je eronder kan, dan in een noodtempo eerst je haar gaat wassen, want er is niets ergers dan je haar met koud water te moeten uitspoelen. Dan snel de rest en dat je dan met de zeepbellen nog tussen je tenen het al lauw voelt worden? Laat staan dat er tijd is om benen, oksels of andere behaarde gebieden onder handen te nemen. Aan het einde van de vakantie kon ik vlechtjes maken in m’n beenhaar.

Ongemakken van een heel andere orde zijn de natuur, de dieren en het ongedierte. Vorige zomer gingen we een weekje kamperen op Cape Cod. Op een avond hadden we in een luie bui de afwas buiten laten staan. Het regende (alweer) en we hadden geen zin om door de regen naar het wasgebouw te lopen. Word ik ’s nachts wakker van gerommel in onze afwasteil.

‘Bas!! Er is iets buiten in onze afwasteil!’
‘Huh? Nou ja, lekker laten gaan, hebben ze ook nog wat te eten.’
‘Ja, lekker ben jij, straks is het een beer!’
Hoongelach
‘Nee joh, er zitten geen beren op Cape Cod.’
‘Hoe weet jij dat nou?’
‘Er is hier alleen maar strand!’
‘Oh ja. Nou, wat zou het dan zijn?’
‘Weet ik veel. Moet je even kijken.’

Nou, tot zover mijn held die dat wel even voor mij ging uitzoeken. Met kloppend hart ritste ik het tentdoek open en scheen met de zaklamp naar buiten. Shit, de tent van de kinderen stond ervoor, ik zag helemaal niks. Nou, maar weer liggen dan. Even later hoorde ik geslof (echt, geslof!) langs onze tent richting de vuilniszak. Stelletje sukkels, die hadden we ook buiten laten staan! Inmiddels trilden mijn vingers zo erg dat ik haast de rits aan de andere kant niet meer open kreeg, maar toen het toch lukte, zag ik…. Een stinkdier! Het beest keek lijzig achterom naar wie er zoveel herrie maakte en liep toen op z’n dooie akkertje de bosjes in. Gek is dat, dat dieren altijd veel groter klinken als je ze niet kan zien…

Afijn, om een lang verhaal kort te maken, ik ben aan het einde van een kampeervakantie vaak moeier dan ervoor. De gebroken nachten door eindeloze regen op het tentdoek en windhozen, voorbij sloffende dieren of juist niet in slaap kunnen vallen door het verkeer op de snelweg, die vlak langs de camping loopt en die je bij het boeken op het overzichtskaartje per ongeluk over het hoofd had gezien. En moet je zelf niet midden in de nacht eruit om te plassen, dan staat er geheid in het pikkedonker wel ineens een kind in je tent. ‘Mam, ik moet plassen, wil je even mee?’ Ach ja. En dan loop je daar samen, onder de sterren, met een klein handje, warm en zacht in die van jou, waar een slaapdronken ventje bij hoort, die zegt: ‘Gezellig hè, mamma?’. En dan is het eigenlijk ook allemaal wel weer goed.

Angst

AA019259

Toen ik twintiger was en kinderloos, was ik een superheld. Onoverwinnelijk en onverwoestbaar. Mijn tienerjaren waren al kabbelend gekomen en gegaan, zonder heftige puberteit, drankgelagen, drugs of noemenswaardige seks. Die jaren tussen de twintig en dertig vond ik veel leuker. Ik verdiende m’n eigen geld, had een leuk vriendje, ging voor het eerst op mezelf wonen, de wereld lag aan mijn voeten. Vooral tijdens onze vakanties waren we als God in Frankrijk. We dronken wijn uit de fles, gingen met ons tweeverdienerssalaris overal heen en hadden seks in de buitenlucht.

Bovendien was ik nergens bang voor. In Thailand gingen we de beruchtste straten van Bangkok in en vochten we ons een plekje op de speedboat terug na de full moon party. In Nieuw-Zeeland gingen we abseilen een donkere grot in, waarna je met een duikpak aan door het ijskoude water in het donker je weg naar buiten moest vinden. We gingen parapenten, met storm op zee naar walvissen kijken en in ieniemienie bootjes met 80 km per uur door de bochten. Als het maar gevaarlijk was en lekker veel adrenaline opleverde.

Toen kwamen de zwangerschappen en daarmee gepaard de hormonen. Echt waar, als iemand me had verteld dat ik zo’n schijtlaars zou worden, was ik er misschien nooit aan begonnen, dat hele kinderverhaal. Toegeven, op wonderlijke wijze hebben de zwangerschapshormonen mij wel genezen van de hooikoorts, maar dat is dan, qua hormoonspiegel, ook het enige dat ik ermee ben opgeschoten. Want er is geen lol meer aan met mij.

Vorige zomer gingen we naar de Niagara watervallen en als je daar bent, ontkom je niet aan The Maid of the Mist. Dat is een bootje dat per keer ongeveer 70 in felblauwe regenponcho’s gehulde toeristen naar de voet van de Niagara watervallen brengt. Eerst valt het allemaal nog mee, de boot vaart langzaam langs het Amerikaanse gedeelte, op een prettige afstand. Maar dan komen de Horseshoe falls in zicht, de veel grotere waterval aan de Canadese kant. Steeds dichter en dichter kwamen we bij het enorme geweld en de herrie. We werden drijfnat, ondanks die stinkende, plakkende, vervloekte poncho’s en toen we daar maar lang genoeg bleven ronddrijven, dacht ik ineens: ‘Shit, volgens mij kan hij niet meer weg. Straks is de motor kapot en drijven we zo die waterval in.’ ‘ Bas, zie jij waar de reddingsvesten liggen?!’, schreeuwde ik boven het geraas van de waterval uit. ‘Hè? Ja, ik geloof hier ergens!’ Aan mijn geestesoog zag ik Anne en Daan voorbijdrijven tussen stukken wrakhout en net toen ik instructies wilde gaan uitdelen (jij blijft bij Daan, dan pak ik Anne), zette de boot weer in volle vaart koers naar het vertrekpunt. Ik was kwaad op mezelf. Stomme muts, waar is nou die stoere chick van 10 jaar terug?

Maar angst bleek die dag op meerdere manieren een ongrijpbaar fenomeen. Een andere attractie bij Niagara is de Cave of the winds. Een soort houten trappen met plateaus op verschillende hoogten, waar je heel dichtbij de waterval kan komen en dus ook héél nat kan worden. Daan is als de dood voor water. Zwemles moet ik hem aan z’n haren naartoe slepen en onder de douche wil hij diezelfde haren liever helemaal niet gewassen hebben, maar als het dan toch moet, bij voorkeur met een duikbril op. Op die plateaus was de kracht van de machtige waterval voelbaar. De slagregens geselden nietsvermoedende toeristen die geschrokken maakten dat ze wegkwamen. En wat deed Daan? Hij had de tijd van z’n leven terwijl hij daar in zijn allang gescheurde (dit keer in modieus geel meegeleverde) poncho door- en doornat werd. Schiet mij maar lek. Terwijl ik ondertussen alleen maar kon denken: ‘Zou dat nou niet glad worden, zo’n houten vlonder?’ Chicken shit.

 

Ladies Night

wine

‘Are you coming to Ladies Night tomorrow night?’ Met die vraag is de definitieve inburgering bij de schoolmoeders begonnen. Ladies Night? Het blijkt een jaarlijks festijn waarbij alle moeders van de Lincoln school met elkaar eten en waarbij er een loterij wordt georganiseerd. Ik heb geen idee of het wat voor me is, maar omdat ik niet onbeleefd wil zijn (en het zeker geen kwaad kan om nog wat mensen te leren kennen), beloof ik dat ik zal komen.

De twijfel die ik voel, komt door een andere avond, vorige week, toen ik werd uitgenodigd voor een kledingparty bij iemand thuis. Anders dan in Nederland (wanneer je bij zo’n gelegenheid in een kringetje bij iemand in de huiskamer gaat zitten, koffie met een koekje krijgt en de verkoopster aan iedereen tegelijk vertelt wat ze aan de vrouw wil brengen), stapte ik hier een kast van een huis binnen, waar in alle kamers wel iets stond. Kleding in de ene, make-up en overige smeersels in de andere en in de keuken een hele tafel met sieraden. Ik kreeg een glas wijn in m’n handen gestopt en met een vrolijk: ‘Go ahead, take a look around!’ werd ik aan mijn lot overgelaten. Wat me wel de gelegenheid gaf om eens op m’n gemak de lokale omgangsvormen te bestuderen.  De meest voorkomende uitspraken:

  1. (met stip) I LOVE that dress (top, blouse, etc.)
  2. Oh… my… gosh… That’s SO cute!!!!
  3. That is SO your color!!

Ik weet niet, maar het kwam allemaal een beetje gekunsteld op me over. Verder was het me al opgevallen dat bijna alle vrouwen (tenminste hier in dit deel van New Jersey) lang steil haar hebben en niemand heeft een bril. Op elke hoek van de straat zit een ‘nail salon’ en er zijn ook heel veel kappers. Uiterlijk is dus blijkbaar erg belangrijk. En als je dan als enige met kort haar en een bril (want contactlens gebroken) rondloopt, voel je je toch een vreemde eend in de bijt, maakt niet uit hoe stevig je normaal gesproken ook in je schoenen staat.

Met enige gezonde tegenzin sta ik dus voor de kledingkast. Overigens ook met klotsende oksels want om Bas te helpen heb ik alvast gekookt en de kinderen onder de douche gedaan, zodat ze meteen kunnen gaan eten als hij thuis komt en de kinderen dan naar bed kunnen. Met niet heel veel tijd om erover na te denken, trek ik een lange witte linnen broek en een zwart topje uit de kast, graai m’n telefoon met TomTom van de tafel, schrijf nog snel even de cheque om te betalen voor vanavond en race dan weg. Eenmaal aangekomen stap ik de hal van het restaurant binnen en dan weet ik het zeker: ik ben verhuisd naar Stepford. Ik zweer het! Alle vrouwen zien er hetzelfde uit. Hetzelfde lange haar, dezelfde perfecte make-up, dezelfde onberispelijk gemanicuurde handen, dezelfde schilferloze, glanzend gelakte teennagels, hun jurken op dezelfde lengte en dezelfde soort schoenen. Van de 500 vrouwen zijn er nog twee met een broek aan en één met een boblijn.

Maar wat een fantastische avond heb ik gehad…! Je kon voor $20 50 lootjes kopen. Over diverse tafels verspreid stonden 90 manden met prijzen, met daarbij een bakje. Als je kans wilde maken op de prijs, moest je een lootje in het bakje doen dat erbij stond. Simpel zat. Tijdens het eten werd van iedere prijs bekend gemaakt wie hem gewonnen had. En 90 keer hoorde je hetzelfde gilletje: ‘Aaah! That’s me!’ Het was net slapstick!

Het mooiste van de avond was nog wel, dat ik met acht vrouwen aan tafel zat, waarmee ik gedurende de avond best geanimeerde gesprekken heb zitten voeren. In mijn beste Engels, waar ik me volgens mij toch niet voor hoef te schamen. Kom ik de volgende morgen op het schoolplein een van die vrouwen tegen, en die zegt (op die harde toon die mensen gebruiken als ze denken: als ik maar heel hard praat compenseert dat misschien dat ze mijn taal niet spreken): ‘HI, HOW ARE YOU? YOU AND ME: FRIENDS?’