Overtreding

Angry

‘Zo mam, ze vloeken hier veel joh!’ Dat was de eerste observatie van de kinderen na hun eerste schooldag weer in Nederland. En ik moet zeggen, mij viel na een aantal dagen ook op hoeveel grover en fysieker de kinderen hier met elkaar omgaan. Nu ben je, na een jaar op een Amerikaanse school te hebben gewerkt, al gauw gechoqueerd door enig lichamelijk contact, want daar staat zo ongeveer de doodstraf (of dan toch in ieder geval een bezoekje aan ‘the principal’s office’) op een duw of een tackle tijdens een potje voetbal. Ook al was ‘ie op de bal.

Dus toen ik hier, weer in Nederland, tijdens de pauze een keertje wat langs kwam brengen op school, kon ik mijn ogen niet geloven toen kinderen elkaar met rugzakken stonden te meppen, al fietsend een schop probeerden te verkopen of iemand naar de grond werkten om de bal af te pakken. Terwijl de overblijfmoeders gemoedelijk op een bankje zittend deze nijverheid gadesloegen, blijkbaar niet in het minst gealarmeerd door wat ze zagen. Ging dat nou ook al zo vóórdat we weggingen en wist ik het gewoon niet meer? Ik beet hard op mijn tong, maar kon het toch niet laten om de jongen die de bal had afgepakt toe te bitsen: ‘Vind je dat normaal?’ Occupational hazard, zullen we maar zeggen, als dat tot voor kort was, waarvoor je betaald werd.

Maar het terecht wijzen van andermans kroost blijkt dieper geworteld dan ik zou willen toegeven. Een paar weken geleden zaten de kinderen en ik bij de lokale snackbar buiten in het zonnetje een ijsje te eten, toen een meisje van ‘onze’ school uit groep 8 langsliep met haar vriendin. Een stukje verderop kwam er een groepje van vier andere meiden aan, dat het tweetal tegemoet liep. Toen ze elkaar in de smiezen kregen, stopten de meiden allemaal en ontstond er een soort ‘stand down’ waar Clint Eastwood nog een puntje aan zou kunnen zuigen. De lucht vulde zich met onrust en terwijl Daan aan mijn linkerkant zich concentreerde op het zoveel mogelijk redden van zijn in de zon smeltende ijsje, zag ik dat Anne, net als ik, met spanning het tafereel aan onze rechterkant gadesloeg.

Het bleef even onduidelijk of er een confrontatie zou komen, maar uiteindelijk stapten ze toch op elkaar  af. Hoewel ik niet kon horen wat ze zeiden, kon je uit de lichaamstaal duidelijk opmaken dat het geen vriendelijke woorden waren, die werden uitgewisseld. Het meisje uit groep 8 en de oudste dame uit het andere groepje hadden blijkbaar de leiding en net toen ik dacht: ‘Zouden ze elkaar echt in de haren vliegen, zo midden op straat?’ sloeg het meisje uit groep 8 het andere meisje met de vlakke hand vol in haar gezicht. Cat fight!! Het leek wel een film! Het andere meisje liet zich niet op de kop zitten en begon aan de haren van haar rivale te trekken, die op haar beurt met haar tasje begon te meppen. Toen vond ik het wel welletjes geweest, ik stond op en riep: ‘HEY!!’ De meiden schrokken, wisten zich waarschijnlijk niet bekeken, en het meisje uit groep 8 liep snel weg, met haar vriendin.

Een vrachtwagenchauffeur, die net de naastgelegen pizzeria aan het bevoorraden was, stak zijn duim naar me op. Volkomen tevreden met mezelf ging ik weer zitten en keek naar Anne. Oh… Die zat erbij alsof ze wilde dat de grond open zou gaan, ze erin zou kunnen springen en het gat dan weer dicht zou gaan. Dus ik, voorzichtig:

–          Zag je dat?
–          Ja.
–          Die ene zit bij jou op school, toch?
–          Ja.
–          Vind je het stom, dat ik er wat van zei?
–          Nou ja, ik bedoel, ze zitten in groep 8! Ik vind dat ze het zelf uit moeten zoeken.
–          Lieve schat, al hadden er twee volwassen mannen gaan staan vechten, dan had ik er ook wat van gezegd. Als je zo boos wordt, dan weet je soms gewoon even niet meer wat je doet.

Nou ja, dat hoop ik dan hè, dat ik dan ook de ballen zou hebben gehad. Maar ‘deep down’ wist ik wel dat het gewoon mijn pleinwachtinstinct was, dat opstond en er wat van zei.

De kinderen zeggen dat ze het nog steeds leuk vinden, als ik kom helpen op school met klassenuitjes of knutselen in de klas. Maar ik weet niet of ze dat alleen maar zeggen om me niet te kwetsen of dat ze het echt nog willen, want ik ben voor m’n gevoel toch een beetje die zeikmoeder die overal moeilijk over doet. Ze mogen van mij niet zonder handen fietsen, ze moeten van elkaar afblijven, netjes in de rij lopen, niet voordringen, geen stenen of stokken oppakken op weg naar de gym, niet duwen of met tassen gooien…. Anne en Daan lopen bij dit soort gelegenheden toch bij voorkeur zo ver mogelijk bij mij vandaan.

Dit weekend ging ik met Daan voor het eerst naar een voetbalwedstijd. Het eerste elftal van ons dorp speelde de laatste wedstrijd van het seizoen, tegen de nummer 1. Als ze zouden winnen, werden we kampioen. Met gelijkspel of een nederlaag, werd de tegenstander kampioen. Een loeispannende wedstrijd dus, waar veel op het spel stond. De tegenstander was een ploeg uit Rotterdam, waarover de wildste verhalen de ronde deden. Ze zouden puntaftrek hebben gehad wegens wangedrag, vier spelers zouden zijn geschorst voor deze wedstijd vanwege vechtpartijen vorige week… Ik verwachtte dus een grimmige, onsportieve sfeer. Gelukkig viel het alles mee en was de meest agressieve speler er juist één van ons. ’s Avonds aan tafel zaten Daan en ik tegen Bas en Anne te vertellen over de wedstrijd.

–          Het was best een sportieve wedstrijd, helemaal geen gedoe en maar weinig overtredingen hoor, vond ik.
–          Nou, ik heb echt wel overtredingen gezien hoor!
–          Ja, maar het viel echt wel mee, zoveel waren het er niet.
–          Nou, weet je dat jij twee keer even weg was? De eerste keer waren er wel twee overtredingen en de tweede keer volgens mij drie!

Waarop Bas zei: ‘Ja, ze doen het ook altijd als mamma niet kijkt, hè?’. En Anne er nog aan toevoegde: ‘Ja, want anders zegt ze er weer wat van. Wel lief spelen hè, jongens?’.

En hoewel die dan weer in de categorie ‘wel of geen ballen’ valt, zou ik dat inderdaad soms best eens willen doen.

Advertenties

Ladies Night

wine

‘Are you coming to Ladies Night tomorrow night?’ Met die vraag is de definitieve inburgering bij de schoolmoeders begonnen. Ladies Night? Het blijkt een jaarlijks festijn waarbij alle moeders van de Lincoln school met elkaar eten en waarbij er een loterij wordt georganiseerd. Ik heb geen idee of het wat voor me is, maar omdat ik niet onbeleefd wil zijn (en het zeker geen kwaad kan om nog wat mensen te leren kennen), beloof ik dat ik zal komen.

De twijfel die ik voel, komt door een andere avond, vorige week, toen ik werd uitgenodigd voor een kledingparty bij iemand thuis. Anders dan in Nederland (wanneer je bij zo’n gelegenheid in een kringetje bij iemand in de huiskamer gaat zitten, koffie met een koekje krijgt en de verkoopster aan iedereen tegelijk vertelt wat ze aan de vrouw wil brengen), stapte ik hier een kast van een huis binnen, waar in alle kamers wel iets stond. Kleding in de ene, make-up en overige smeersels in de andere en in de keuken een hele tafel met sieraden. Ik kreeg een glas wijn in m’n handen gestopt en met een vrolijk: ‘Go ahead, take a look around!’ werd ik aan mijn lot overgelaten. Wat me wel de gelegenheid gaf om eens op m’n gemak de lokale omgangsvormen te bestuderen.  De meest voorkomende uitspraken:

  1. (met stip) I LOVE that dress (top, blouse, etc.)
  2. Oh… my… gosh… That’s SO cute!!!!
  3. That is SO your color!!

Ik weet niet, maar het kwam allemaal een beetje gekunsteld op me over. Verder was het me al opgevallen dat bijna alle vrouwen (tenminste hier in dit deel van New Jersey) lang steil haar hebben en niemand heeft een bril. Op elke hoek van de straat zit een ‘nail salon’ en er zijn ook heel veel kappers. Uiterlijk is dus blijkbaar erg belangrijk. En als je dan als enige met kort haar en een bril (want contactlens gebroken) rondloopt, voel je je toch een vreemde eend in de bijt, maakt niet uit hoe stevig je normaal gesproken ook in je schoenen staat.

Met enige gezonde tegenzin sta ik dus voor de kledingkast. Overigens ook met klotsende oksels want om Bas te helpen heb ik alvast gekookt en de kinderen onder de douche gedaan, zodat ze meteen kunnen gaan eten als hij thuis komt en de kinderen dan naar bed kunnen. Met niet heel veel tijd om erover na te denken, trek ik een lange witte linnen broek en een zwart topje uit de kast, graai m’n telefoon met TomTom van de tafel, schrijf nog snel even de cheque om te betalen voor vanavond en race dan weg. Eenmaal aangekomen stap ik de hal van het restaurant binnen en dan weet ik het zeker: ik ben verhuisd naar Stepford. Ik zweer het! Alle vrouwen zien er hetzelfde uit. Hetzelfde lange haar, dezelfde perfecte make-up, dezelfde onberispelijk gemanicuurde handen, dezelfde schilferloze, glanzend gelakte teennagels, hun jurken op dezelfde lengte en dezelfde soort schoenen. Van de 500 vrouwen zijn er nog twee met een broek aan en één met een boblijn.

Maar wat een fantastische avond heb ik gehad…! Je kon voor $20 50 lootjes kopen. Over diverse tafels verspreid stonden 90 manden met prijzen, met daarbij een bakje. Als je kans wilde maken op de prijs, moest je een lootje in het bakje doen dat erbij stond. Simpel zat. Tijdens het eten werd van iedere prijs bekend gemaakt wie hem gewonnen had. En 90 keer hoorde je hetzelfde gilletje: ‘Aaah! That’s me!’ Het was net slapstick!

Het mooiste van de avond was nog wel, dat ik met acht vrouwen aan tafel zat, waarmee ik gedurende de avond best geanimeerde gesprekken heb zitten voeren. In mijn beste Engels, waar ik me volgens mij toch niet voor hoef te schamen. Kom ik de volgende morgen op het schoolplein een van die vrouwen tegen, en die zegt (op die harde toon die mensen gebruiken als ze denken: als ik maar heel hard praat compenseert dat misschien dat ze mijn taal niet spreken): ‘HI, HOW ARE YOU? YOU AND ME: FRIENDS?’

Robot

Image

Het is zondagochtend. Daan staat voor me, in zijn pyjama, met een serieuze donderwolk boven zijn hoofd. En hij heeft zijn schoenen aan. ‘Waarom heb jij je schoenen aan?’, vraag ik. ‘Ik ga naar Nederland, mijn witte robot die kan lopen halen!’ O. Als ik even een stilte laat vallen, vervolgt hij boos: ‘Waarom heb je die eigenlijk niet meegenomen?’

‘Nou… die paste niet meer in de koffer. Die robot heb je gekregen toen de container al weg was, en die robot was te groot voor in de koffer.’
‘Dan had je mijn vliegtuig thuis moeten laten en op dat plekje de robot!’

Tsja… Dat zo’n moeder dat nou niet snapt hè?

Ik denk dat Daan zich een beetje hetzelfde voelt als ik me al de hele week voel. Ter illustratie even een dag uit deze week op een rijtje.

7.00 uur: wakker. Het heeft heel hard gesneeuwd en er is mail van de school over ‘delayed opening’: Anne hoeft pas om 10.10 uur op school te zijn.
8.00 uur: iedereen in de auto
8.30 uur: Bas afzetten op kantoor
9.00 uur: Daan afdroppen op school
9.05 uur: thuis met Anne
9.10 uur: huisbaas belt over de reparatie van de droger, er komt een klusjesman, of ik die wil bellen om een tijd af te spreken
9.20 uur: buuv belt om te zeggen dat ze hun sneeuwschep tegen hun garage aan hebben gezet, dat we die mogen lenen (alle sneeuwscheppen waren nl. uitverkocht…)
9.25 uur: mamma belt, zeg dat ik haar later terugbel
9.30 uur: Anne helpen met haar Engelse website die ze voor school moet doen
9.50 uur: Anne naar school brengen
10.05 uur: sneeuwschep oppikken bij de buren en oprit schoonscheppen (in de regen)
10.30 uur: plof oververhit en met doorgezakte rug op de bank, bel mamma terug. Die heeft onderzoeken gehad in het ziekenhuis en heeft zich heel rot gevoeld. Wou dat ik daar was.
11.15 uur: weg om Daan op te halen
11.35 uur: weer thuis, gauw washok opruimen, want klusjesman komt
11.45 uur: klusjesman staat voor de deur
12.00 uur: boterham eten met Daan
12.45 uur: klusjesman is klaar en vertelt en passant zijn levensverhaal
13.15 uur: met Daan naar het postkantoor
13.25 uur: kom er halverwege de rij bij het postkantoor achter dat ik mijn portemonnee vergeten ben…
13.40 uur: opnieuw in de rij bij het postkantoor
14.00 uur: weer thuis, afwassen ($#%@! vaatwasser doet het nog steeds niet)
14.30 uur: was aanzetten om daarna te kunnen kijken of droger het ook echt doet
15.00 uur: weg om Anne op te halen
16.30 uur: Anne moet een kwartier lezen en tien minuten rekenen elke dag, dus ik zet haar daar aan en ga met Daan Loco doen.
16.45 uur: tijd om te koken
17.15 uur: met z’n allen in de auto om Bas op te halen
17.45 uur: Bas oppikken
18.15 uur: thuis, eten.

Onder het eten zit Anne alsmaar op haar hoofd te krabben en ineens denk ik: ze zal toch geen luizen hebben? Boven een wit kussensloop roskam ik met een borstel door haar haar. Er valt een zwart stipje op en… dat loopt weg… WTF??!! Snel pak ik het tussen m’n vingers, knijp het fijn, stop het in een tissue en zeg: ‘Kom mee, wij gaan naar de apotheek!’ Daar komt een vriendelijke dame op ons af die vraagt of ze ons kan helpen. Als ik vraag of iemand ons kan helpen na te gaan of mijn dochter luizen heeft, deinst ze achteruit en zegt: ‘I’ll get the pharmacist’. Ik hoop met heel mijn hart dat Anne het niet gezien heeft. Als ik de tissue openmaak, is het zwarte stipje een bruine veeg geworden, waar de apotheker niet zoveel van kan maken. ‘That could be anything.’ Maar als ik vertel dat het bezig was aan de 100m sprint van het kussensloop af, krijgen we luizenshampoo en een kam mee.

En dus word ik de afgelopen dagen geleefd door stofzuigen (elke dag), bedden verschonen (elke dag), haren wassen en twee koppies handmatig op luizen en neten checken. Want die kam is leuk, maar echt effectief is anders. En dat terwijl ik nauwelijks voorover kan buigen.

Nee, het was leuk bedacht, dat hele Amerika avontuur, maar laat mij anders die witte robot die kan lopen maar even gaan halen!

Vrijheidsbeeld

Vrijheidsbeeld

Dit is het dan. Gewapend met fototoestel, iPhone met GPS en een rugzak vol pakjes drinken en het Amerikaanse equivalent van Liga (je blijft toch een Nederlander), stappen we in de auto op weg naar New York. Voor het eerst met de kinderen naar New York! Het vrijheidsbeeld, hebben we ze beloofd en daar varen we dan met een bootje langs. ‘Kunnen we er dan ook op klimmen?’, is de vraag vanaf de achterbank. ‘Nee, je kan er normaal gesproken wel in, dan moet je heel veel trappen lopen, maar dat gaat nu niet. Er is hier namelijk een heel erge storm geweest en daardoor doet de elektriciteit het nog niet, daar op dat eiland waar het beeld staat.’ ‘Oh.’

We rijden met de auto naar het treinstation en gaan verder met de trein. Daan stapt voor het eerst van zijn leven in de trein, maar doet er net zo blasé over als de gemiddelde forens. Terwijl ik het eigenlijk best spannend vind. Hoe dichterbij de stad komt, hoe meer ik de neiging krijg om ze allebei aan hun capuchon vast te houden. Op het laatste moment bedenk ik ineens nog: oh ja, een briefje in hun zak, voor als ze ons kwijt raken. My name is Daan. When lost, please call enz.. ‘Jongens, wel heel goed bij ons blijven hè?’ ‘Jahaa, mam…’

Van de trein in de metro en dan uitstappen bij Bryant Park. Het is een prachtige dag, de zon schijnt volop, strak blauwe lucht, een graadje of 10. In het park struikel je bijna over de eekhoorntjes, er klinkt muziek en er staan mime-spelers. Op slag is de onrust verdwenen en overspoelt mij het vakantiegevoel. Wat is het hier leuk! Twee minuten later staan we aan de oever van de Hudson en daar staat ze dan: het vrijheidsbeeld. Nog best ver weg, maar toch! ‘Jongens, kijk, daar heb je het vrijheidsbeeld!’ De kinderen staan met hun schoenen figuurtjes te trekken in het zand en kijken even op: ‘Oh ja, mooi.’ Ik vind het fantastisch, kan niet stoppen met ernaar te kijken.

Kom op, naar die ferry! De Staten Island Ferry is de grootste veerboot die ik ooit heb gezien. Dat valt nog niet eens zozeer op als je ‘m in het water ziet liggen, maar vooral als je ziet hoeveel mensen erop gaan. We gaan beneden binnen zitten, bij het raam, zodat we goed uitzicht hebben. En dan doemt ze op, aan de rechterkant. Vol in de zon, de Amerikaanse vlag wappert ernaast. Het is een magisch moment. Nu ben ik echt in Amerika! Ik denk terug aan al die mensen, vluchtelingen, die hier naartoe zijn gekomen voor een beter leven. Geen onderdrukking, geen oorlog, gelijke kansen. Al die mensen die hier aan kwamen varen, dat beeld zagen en dachten: nu ben ik vrij, ik begin opnieuw. Toen ik jong was, wilde ik altijd al graag naar Amerika. Ik keek veel films en het leek mij het beloofde land. Snel groot worden en erhéén. En ook al ben ik niet als stoere twintiger met backpack in mijn eentje hierheen gekomen, hier sta ik dan toch maar. Ik ben er! Tranen prikken achter mijn ogen als Daan naast mij zegt: ‘Ik vind het maar een stom beeld.’

Tsja…. Dat kan natuurlijk ook.